×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Kerstmis begint in de nacht, tussen vrees en hoop, in onze realiteit van 'wandelen in de duisternis'. Uren van dood-alleen: we schuilen bij elkaar, wachtend op een vonk die overslaat. Tijd van stilte: we zwijgen mee met de aandacht van eeuwen, en met allen die geen woorden meer hebben. We luisteren: er moet iets te horen zijn. Aardedonker, zwarte nacht: misschien valt er nu iets te zien, een sterretje, een puntje licht. Zal de hemel openscheuren, de mist optrekken, de morgen aanbreken?
We zingen in het donker, en geven ons over aan een lied. Want als wij op onszelf blijven, en niet opengaan, kan God niets beginnen, blijft Hij onmachtig. 'Open uw hart, geloof uw ogen, vertrouw u toe aan wat gij ziet'. Buurvrouw, mag ik jouw ogen leven? Zangertje, mag ik zien met jouw hart?

Soms wordt de lange nacht bezworen, macht ontregeld en liefde geboren, doodsdrift omgebogen in levenszin; wordt in de opperste verwarring mijn diepste naam en roeping hoorbaar, komt uit het onvruchtbaar heden toch nog toekomst voort. Door de vriend die mij niet in de steek laat, en door de vreemde die mij ontmoet en onthutst, wordt mijn leven in een nieuw licht geplaatst, levend gemaakt. Wij worden mensen dank zij mensen.
Achteraf kun je zeggen: God liet zich zien. Abraham en Sara werden, in hun bezoeking der onvruchtbaarheid, bezocht door drie mannen.  Hun leven zette vrucht. 'God was op bezoek', zei Israël. 'God liet zich zien', zei de jonge kerk van Jezus, levend, vermoord, maar levend dan ooit. God liet zich kennen, en werd zichzelf: moeder van liefde, vader der weeën, kind van de toekomst.

Wij horen het oude verhaal: machtigen wie wel kunnen rekenen, maar niet lezen; opgejaagde mensen, zoekend naar een plaats; veracht volk, wakend en dromend in het open veld. 
Sprekend licht: goed nieuws voor de kleinen, misschien ook wel voor ons. Een visioen dat openbreekt, een oud lied als nieuw: Eer aan God; dat is: Vrede op aarde.
'En dit zal een teken zijn: een pasgeboren kind, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe'. Geen inbraak in de geschiedenis, geen deus ex machina, geen geweldige troonpretendent. Een kind in de kribbe, in de naakte werkelijkheid van de herders. Geen ander teken dan deze mens.
'Geen ander teken'; of het zou die oude vrouw moeten zijn, die vermoeid is, maar wijs; die werkloze textielarbeider die is opgestaan, en lotgenoten aaneenweeft; of het kind (naast mijn bed of op de beeldbuis) dat mij wakker schreeuwt. Deze mensen, zusters en broeders, heb ik om mee te leven: goddelijke verschijningen. Openbaringen van menslievendheid, mensjes die om genade smeken: verborgen gestalten van de Messias.
'Zing voor uw God'; zing voor elkaar.

Stel u Israël eens voor ten tijde van Jesaja: een geknecht en getergd volk, dat alleen nog maar herinneringen en dromen heeft. Wie zou zulke mensen hun idealisering van herder-koning David kwalijk nemen? Wie zou hun de dromen van een nieuwe David en bevrijding-voorgoed willen afnemen?
Jesaja niet. Maar hij weet ook nog van Jahwe, die zich telkens weer liet zien. En hij droomt met zijn ogen ópen, hij ziet haarscherp de verwarring en verdrukking, maar even goed elk teken van hoop. De komst van een troonopvolger is voor hem genoeg: het visioen van een nieuwe aarde bloeit op, en geen naam is te groot voor Gods toekomst in deze 'koning van de vrede'. Zo kan een bleek winterzonnetje de doop op de zegenrijke zomer aanwakkeren, en - nu al - worden verwelkomd als een bruidegom. Zo kan elk begin van vrede, onherroepelijk als een mensenkind, een wereldwijde sjalom aankondigen, God voorgoed.

De boodschap aan de herders, het visioen van Jesaja en onze eigen liederen lijken soms te mooi om waar te zijn. Dat is geen ramp: waarom zouden we niet op de toekomst vooruitlopen? Maar uiteindelijk wijst het woord Gods terug naar onszelf, naar hoe het gaat en hoe het kan, naar de gewone dingen als eten, praten, samenleven, politiek bedrijven en met kinderen omgaan. Naar onze geschiedenis, onze lelijk-mooie wereld. Het gaat in Gods verschijning om een 'nieuw verbond' tussen mensen, om de voltooiing van zijn schepping. Het kind heeft ons nodig. Het roept ons tot verantwoordelijkheid, tot zorg voor het kleine en aandacht voor wat in de hoek is getrapt of gekropen. Zijn lichaam - zijn gestalte, de toekomst van God zelf - is ons in handen gegeven, en gaat van mond tot mond, smekend om leven, óns leven…