Tweede Kerstdag - Feest van H. Stefanus (2007)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Nou, wat je noemt een zálig en gelúkkig Kerstfeest! Meteen na de grote dag van de geboorte van ons grote Voorbeeld, worden we alweer geconfronteerd met de andere kant van de Christus-medaille. We drenken ons in bloed, beste mensen. De liturgische kleur bewijst het. Vandaag verheerlijkt de Kerk weer eens de gruwelijke dood van een van die wonderlijke bloedgetuigen. Ja en dan vind ik het niet vreemd als iemand zich afvraagt: wat heeft dát nou te maken met de zaligheid of het geluk dat me wordt toegewenst van alle kanten, dezer dagen? Moet het streven naar de hemelen nou per se samengaan met allerlei narigheid en ongeluk?! Wat zegt Stefanus mij nog eigenlijk, als vredelievend christen, in deze tijd?

Vorige week las ik moeilijke woorden, van Paus Benedictus XVI – die we toch, als bisschop der bisschoppen, als dé opvolger bij uitstek van de eerste apostelen mogen zien. En de apostelen, zo weten wij uit het Evangelie, zijn Hoogstpersoonlijk door Jezus Christus Zelf gezonden om het rijk van God te prediken. In het Angelus van vorige week, op zondag Gaudete, de derde zondag van de Advent, waarschuwde de paus als een ware apostel voor een verkeerd begrip van geluk: “Wie het individuele geluksstreven tot afgod maakt, is het verkeerde levenspad opgegaan” – aldus de H. Vader.

O, wat had ik er in eerste instantie moeite mee, om deze woorden goed te kunnen verstaan. Het raakte me, het maakte me verstrooid, verward in mijn kop. Waarom? Houd ik daarom ook liever – net als de moordenaars van Stefanus – met alle macht mijn oren dicht voor zo’n hartekreet van de paus – die hedendaagse Stefanus? Maar natuurlijk gaat het onze paus er uiteindelijk om het Blijde aspect van de Boodschap over te dragen! Dat is immers – zo zei ik al – de roeping van een opvolger der apostelen.

Gaudete – ware blijdschap – dat zien we vandaag ook bij Stefanus, wanneer hij op het eind alles scherp ziet, en zijn blik richt op de hemel. Niets kan hem meer deren. Hij is er feitelijk al, in de hemel. Hij hoeft zijn aardse lichaam alleen nog maar af te leggen. Maar dan volgt nog het onmogelijke: datzelfde afsmeken van vergeving, precies zoals Jezus ook voor Zijn folteraars deed. Ook bij zeer veel anderen na hem, heeft het gretig kijken naar de hemel niet geleid tot een schuldige of beschuldigende verstrooidheid – zoals bij mij het geval is – maar tot het aanschouwen van hemels geluk. We kennen allemaal wel de verhalen over werken van barmhartigheid die met zoveel liefde in praktijk zijn gebracht door nog zoveel andere hemelstaarders als Stefanus.

Behoor ook ik dan tot die mensen, waarvoor Jezus in het evangelie van vandaag zijn leerlingen waarschuwt? Behoor ook ik tot de meute die als één man op de dood afstormt, de vuige horde die tegelijkertijd zijn longen uit het lijf schreeuwt, om maar niet met een Boodschap geconfronteerd te worden die zij als pijnlijk ervaren… Waarom is het zo moeilijk om de handreiking van de paus om tot het ware geluk te komen, in de praktijk te brengen? En waarom is het zo moeilijk om op deze plek over mijn persoonlijke weg naar geluk te praten? Wat is dat toch voor pijn, waar mijn ziel aan lijdt?

Ik denk, beste mensen, omdat we ons zoveel verschillende beelden voor de geest kunnen halen, bij dat woord: geluk! Geluk is meestal wat we ons bij rijkdom voorstellen. Rijkdom verkregen door een staatslot, rijk door opwindende seks, rijk door zonnige strandvakanties, door een stad rijk aan cultuur en schoonheid, rijk door de vrouw van mijn dromen, rijk door een schat aan kinderen, rijk door een exorbitant kerstontbijt, rijk door de perfecte cappuccino vanmorgen of rijk door een nieuwe, supersnelle laptop.

Geluk dus, dat ik zélf kan bewerkstelligen – hier, het liefst: nu meteen! Terwijl velen van ons, misschien wij hier allemaal wel – dat mag ik aannemen, anders was u hier niet gekomen – geluk toch ook als iets zien dat niet van deze wereld is, als iets dat niet op eigen kracht te bewerkstelligen is; geluk dat niet tijdelijk, maar eeuwig is. Mag ik misschien stellen: geluk door armoe? Geluk misschien zelfs wel door, áls Hij dat van mij vraagt, dit aardse leven aan Hem over te geven. “In uw handen heer beveel ik mijn leven.” Tja, zou ík dat kunnen…? Tegen de stroom in, ondanks alle negativiteit die het mogelijk oproept. En met het oog op het hemelse geluk dus, waarop Stefanus afstevent en waarop ook wij al in dit leven kunnen vertrouwen – aldus het Woord onze Heer!

Maar goed, ik weet niet of u dat ook heeft: ook al voel ik precies aan wat mij naar beneden trekt en wat mijn blik juist omhoog voert – ik heb er nog steeds grote moeite mee, als het erop aankomt, om de keuze te maken voor het leven dat mij werkelijk gelukkig maakt, de mens te worden die God wil dat ik ben. Ben ik er om mijn leven met allerlei dingen op te fleuren, of ben ik geroepen om juist afstand te nemen van al de rijkdom die dit leven me te bieden heeft, waarvan ik weet dat die mijn geluk niet kunnen bepalen? Afstand te nemen van eigenbelang, van begeerte, van aards bezit, om dan onbevreesd lief te kunnen hebben? Want wat ik vermoed is dit: vrij van begeerte en bezit, zal ik vrij kunnen worden van vrees en twijfel; alleen zo kan ik ook vrij worden van bitterheid; alleen zó kan ik leren wat echte liefde is…

Dat klinkt misschien wel érg radicaal, als een streven dat waarschijnlijk alleen voor heiligen is weggelegd, maar écht niet voor mij. Die échte heiligen zijn ook ietwat wereldvreemde, eenzame figuren: afstand nemen van de wereld – met alle eenzaamheid als gevolg... Aan de andere kant, diep van binnen voel ik toch ook veel voor de sereniteit, die zuivere blik, van deze ascetische figuren. Vandaag ook, wat een prachtig beeld: die op de hemel gefixeerde Stefanus – wat een prachtige, maar ook eenzame figuur! Okay, hij mag dan misschien eenzaam zijn, tegenover al die horden andersdenkenden, maar het is wel échte eenzaamheid! Het is zuivere eenzaamheid die de Amerikaanse trappist Thomas Merton onderscheidt van verkeerde eenzaamheid.

Het brengt mij op woorden van Thomas Merton die mij in het afgelopen halfjaar door het hoofd zijn blijven spoken. Ik lees ze graag aan u voor, omdat ze zo perfect aansluiten bij het voorbeeld van deze ‘hemelstaarder’ Stefanus ons geeft – als eerste ware navolger van Jezus:

Zuiver innerlijke eenzaamheid wordt gevonden in de deugd van de hoop. De hoop die ons geheel wegneemt uit deze wereld, terwijl we er lichamelijk midden in blijven. Onze geest behoudt zijn heldere blik voor wat goed is in de schepselen. Onze wil blijft rein en eenzaam, temidden van alle geschapen schoonheid, niet gewond in een afzondering die preuts en beschaamd is, maar een wil die wordt opgeheven ten hemel, door een nederigheid ontdaan van alle bitterheid, alle troost en alle vrees.

Zo zijn wij zowel in de tijd als erbuiten. Wij zijn arm, terwijl wij van alles bezitten. Ons niets resterend om op te kunnen steunen, hebben wij niets te verliezen en niets te vrezen. Alles wat wij in vast bezit zouden kunnen hebben, is buiten ons bereik in de hemel weggesloten. Wij leven waar onze ziel wenst te zijn, en ons lichaam is veel minder belangrijk. We zijn begraven in Christus, ons leven is verborgen met Christus in God en wij kennen de bedoeling van Zijn vrijheid… De ziel die zichzelf zo heeft gevonden, wordt getrokken naar de woestijn, maar verzet zich er niet tegen om in de stad te blijven, aangezien de ziel toch overal alleen is.[1]

“Wij leven waar onze ziel wenst te zijn”, aldus Thomas Merton. Het zijn voor mij, hopelijk ook voor u, woorden van hoop. Merton’s woorden kunnen, wat mij betreft, goed als tegengif dienen voor het moderne kerstgevoel, dat een kerst wenst van overvloedigheid in plaats van armoe. Voor mezelf hoor ik er de oproep in om dagelijks – al is het maar héél even – afstand te nemen van mezelf, mijn omgeving, al mijn dingetjes en zo een begerenswaardige eenzaamheid te vinden, waarin ik mezelf kan zien zoals God mij werkelijk ziet. Met al mijn zonden en gebreken, met alle dromen, illusies – vooral mijn complete Zelf. Misschien hoort u die oproep ook. Zo ja, gaat u dan alstublieft ook op zoek naar dat goddelijke beeld van uzelf, datgene wat u werkelijk bent, dat min of meer weggesloten ligt in het verschiet – dáár in de hemel. Dát beeld van God gegeven, is – wat mij betreft – zeker geen illusie.

Amen!

 

[1] Thomas Merton, No Man Is An Island (Londen 1955), p 223