Stel dat ze nee zegt? (2009)

- Stel dat ze ‘nee' zegt? ...
- En stel nou eens dat ze ‘nee' zegt? ...
Dat was toch de hamvraag van Gabriël, toen God hem vroeg om naar de aarde te gaan. Blijkbaar wist God het precies, waar Hij Gabriël naar toe wilde sturen.
- Waarom daar?, had Gabriël al gevraagd. Waarom dat onbekende, afgelegen stadje, Nazaret, in dat perifere land Israël. De keus leek hem niet zo goed.
Over Gods plan had hij ook al twijfels. Mens worden ...? Gabriel de aartsengel had toch een ander idee van Gods grootheid. Hij die met de aartsengelen, de engelen, de heerschappijen en de machten voor de Troon van God mocht staan, waar schepselen alleen maar konden sidderen. Dat beeld had Gabriël van God: almachtig, verheven, transcendent. Natuurlijk heeft God de wereld geschapen en alles wat daarin en daarop is, maar die aarde, dat is toch maar materie, stoffelijkheid, vergankelijkheid ... Van een totaal andere essentie dan het goddelijke. Onverenigbaar. Onvergelijkbaar.
- Waarom daar?, vroeg Gabriël dus.
- Dat zou je toch moeten weten, Gabriël, zei God. Dat is al eeuwen lang mijn uitverkoren volk, dat is al eeuwen lang het volk dat ik voorbereid heb om het volk te worden van Mijn Zoon, dat ik geduldig voorbereid heb, gevoed, gekoesterd als mijn kind, bemind als mijn bruid. Al eeuwen geleden heb ik Mij geopenbaard aan dit volk. Abraham geroepen uit het Oer der Chaldeeën, het volk geleid uit de slavernij van Egypte, na de Ballingschap weer teruggevoerd naar Jeruzalem, Ik heb het geleid, gekoesterd, gevoed, onderwezen. Ze hebben begrepen dat Ik niet alleen hun God ben, maar de God van de hele wereld, de Schepper van hemel en aarde. Gemakkelijk waren ze niet altijd, gehoorzaam ook niet altijd, maar weet je, Gabriël, het is net als een vader met zijn kinderen. Een vader vergeeft alles aan zijn kinderen. Het is mijn volk, het zijn Mijn kinderen. Ik heb ze zelfs geleerd dat ze Mij ‘Vader' mogen noemen. Dit volk, en geen ander, heb ik voorbereid, gevormd, om Mij in de wereld te ontvangen. Dit volk en geen ander, het "Uitverkoren Volk".
- Maar er zijn toch andere volkeren, veel groter, veel beroemder, en andere plaatsen, veel aanzienlijker? Waarom dat achteraf-plaatsje Nazaret, in zo'n afgelegen gebied, Galilea. Er komt toch niets goed uit Galilea, dat weet toch iedereen?
- Gabriël, je moet nog veel leren. Wat jij belangrijk vindt, hoeft niet iedereen belangrijk te vinden. En ga vooral niet in op wat iedereen vindt. Ik heb iets in petto dat heel verrassend is. We gaan straks alles omkeren: de eersten zullen de laatsten zijn, wie zijn leven verliest zal het winnen, machtigen haal Ik omlaag van hun troon, eenvoudigen breng Ik tot aanzien, behoeftigen schenk Ik overvloed, rijken gaan heen met ledige handen. Gabriël, we zullen je nog verrassen.
Gabriël begreep het allemaal niet meer zo goed. Maar ja, hij was één van de grootste aartsengelen, dus gehoorzaam aan Gods Almacht en Wijsheid. God zal er wel goed over nagedacht hebben, dacht Gabriël. Maar erg logisch was het niet: een klein volkje, aan de rand van het Romeinse Rijk, bovendien in oorlog, en dan nog een klein provinciestadje. Maar ja, God zal wel weer gelijk hebben.
- Maar dat meisje, begon Gabriël over een ander onderwerp. Dat meisje, hoe heet ze ook al weer? O ja, Maria. Wat heeft dat meisje méér dan andere meisjes of vrouwen van het volk Israël. Niet intelligenter dan andere meisjes, niet knapper, en van een heel ordinaire familie.
- Dat is Mijn keuze, Gabriël, dat is Mijn keuze, en Mijn geheim. Ik ken Maria, al heel lang, al sinds haar geboorte. Ik volg haar, Ik ken haar.
- En stel nu dat ze ‘nee' zegt, wierp Gabriël nog op.
- Maak je geen zorgen, Gabriël, ik weet zeker dat ze ‘ja' gaat zeggen. Gabriël, ga nu maar !

"In die tijd werd de engel Gabriël van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David. De naam van de maagd was Maria" (Lucas 1,26).

Toen Gabriël van zijn opdracht op aarde in het hemel terug kwam, zei hij tegen God:
- Ze heeft ‘ja' gezegd.