Gedaanteverandering van de Heer

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden


Het evangelie schittert als de Heer op de Tabor. Zijn letters blinken van de Geest die ze inspireert. Zijn schoonheid is niet die van een roman, van een kort verhaal of van een drama, die met voldaanheid kunnen geschreven zijn. Het heeft zijn eigen stoet van beelden, zijn eigen vergelijkingen en parabels, zijn eigen dramatische kracht, maar het is geen onsterfelijk drama: God zelf is erin onsterfelijk, zijn levende Christus sterft niet meer, de lezer die in Jezus' voetspoor treedt, heeft deel aan zijn onsterfelijke glorie. De beelden van het Evangelie zijn meer dan klassiek, ze spreken niet van een Oudheid die moet duren, hun schoonheid wordt in zichzelf niet uitgeput, de bindingen van hun glans maken het verhaal niet uit. Doorheen de woorden, de daden, het leven, de dood en de verrijzenis van de Heer Jezus Christus schittert Gods eigenste glans van heerlijkheid. Die glans is het die eeuwig en onsterfelijk is, volmaakt en onveranderlijk heilig, maar die een verhaal wordt, telkens opnieuw, in het leven van elke mens, die leeft met de Eerstgeborene en in de geschiedenis van de hele mensheid en die daarom niet ophoudt zich als een verhaal van heerlijkheid te ontvouwen. Dat verhaal is nooit uit en is nooit af. Want in geen mens kan zich heel de heerlijkheid des Heren openbaren.

Vandaag zijn wij getuigen van die heerlijkheid. Petrus schrijft met nadruk in zijn brief: 'Wij beriepen ons niet op vernuftig bedachte mythen maar wij spraken als ooggetuigen van zijn luister'. En nog: 'Door de verheven Majesteit werd dit woord tot Hem gericht: ‘Deze is mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb'. En deze stem hebben wijzelf uit de hemel horen klinken toen wij met Hem waren op de heilige berg'. Petrus benadrukt de echtheid van wat hij met Jakobus en Johannes gezien en gehoord heeft toen Jezus op de berg van gedaante veranderde. Wat toen is gebeurd is hem sterk bij gebleven en het is een fundament geworden van zijn prediking. Hij heeft geen mythe uitgevonden als hij het leven van Jezus predikt. De mythe maakt elders echt wat hier onmogelijk bereikt wordt, maakt in een godenhemel waar wat op aarde niet kan, geeft aan de goden wat de mensen niet gegeven is, schenkt in een heerlijk verhaal wat de mens in werkelijkheid altijd zal ontbreken, fabelt een paradijs van leven, waartoe de mens door de dood nooit toegang krijgt, droomt de mens voor wat hij wakker en nuchter nooit te zien krijgt, dicht een verhaal dat ijl is, dat vervluchtigt als herinneringen, en dat uitsterft als muziek. De mythe heeft van de eeuwigheid de schijn en van de onsterfelijkheid de begoocheling. De Heer Jezus Christus leeft voor eeuwig.

Als de grote kinderen ophouden met spelen spatten hun mythen als zeepbellen uiteen. Als Jezus van de berg afdaalt zijn zijn verheerlijking en de goddelijke stem voorgoed in de geest van de Apostelen geprent. Hun leven wordt een strijd die niet meer ophoudt. In de mythen van hun cultuur geloven ze niet meer. In de hemel zijn de goden dood en op aarde is het paradijs gesloten. Maar ze gaan een Weg met Iemand, van Tabor tot Calvarie en van Calvarie tot Tabor, van de berg der verheerlijking tot op de berg van zijn lijden, om na hun eigen lijden opnieuw zijn heerlijkheid te vinden.

Zalig wie vandaag gelooft, zalig wie het feest van zijn hoop kan vieren, zalig wie in liefde de weg van Christus volgt. Ook voor hem zal de Tabor hoger reiken dan de berg van Calvarie. Naast 'Mozes en Elia' zal hij 'in heerlijkheid' verschijnen. Op zijn weg zal Gods licht regelmatig doorbreken en aan het eind zal hij voor eeuwig met de 'duizendmaal duizenden' voor de troon staan en met 'alle volken, stammen en talen' delen in de 'koninklijke macht' van Hem die hij nu volgt, met zijn vele broeders en zusters, in de strijd en in de viering, bij het afdalen van de berg en bij het bestijgen, tot hij eens de hoogste berg bereikt, waar het eeuwig feest zal aangericht zijn.