Gedaanteverandering van de Heer

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Het gebeurt niet veel dat ons geloof zo bevestigd wordt als vandaag. Petrus is klaar en wil overtuigen: 'Wij beriepen ons niet op vernuftig bedachte mythen, maar wij spraken als ooggetuigen van zijn luister'. Jaren na de gebeurtenissen wil hij getuigen van de verrijzenis. Hij wil ons overtuigen. Hij heeft zichzelf willen overtuigen. Het is de Heilige Geest die hem overtuigd heeft. Jezus had hem naar voor geduwd. De Geest heeft hem naar buiten geduwd. Hij heeft hem de weg opgestuurd. Hij heeft hem doen werken en reizen. Hij heeft hem gezonden om te verkondigen. Zijn overtuiging heeft hem doen werken en zijn werk heeft hem verder overtuigd.

Petrus leeft niet van herinneringen. Hij heeft daarvoor tijd noch rust gekregen. Wat hij beleefde staat hem altijd voor ogen. Hij leeft ervan dag en nacht. Het verleden leeft nu in hem, met onverminderd geweld. Het bepaalt al wat hij doet. Het heden is zaaien en maaien tegelijk. De tijd is te kort. Wat hij gezien heeft moet hij zeggen. Jezus' leven en onderricht, zijn passie, zijn dood, de verschijningen, de uitstorting van de Geest, alles. Nee, het zijn geen herinneringen, het zijn ervaringen. Het is leven in hem, dagelijks leven. Het is heel zijn innerlijk, het is de Christus die in hem voortleeft en hem voortstuwt door zijn Geest. Petrus kan met Paulus zeggen: 'Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij'.

Het is zijn 'innerlijk oog' dat verlicht is. Christus is in hem vlees en bloed geworden en zijn vlees en bloed zijn geest geworden. Hij is niet meer een eenvoudige ooggetuige. Hij spreekt van wat ook Johannes gezien heeft: 'Het bestond vanaf het begin. We hebben het gehoord en met eigen ogen gezien. We hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt. Dáárover spreken wij, over het Woord dat leven is'.

Petrus en Johannes waren samen op de berg. Zij leven niet van 'vernuftig bedachte mythen'. Mythen worden nooit vlees en bloed. De goden van de mythen blijven in hun hemel en ze trekken de schrijver en de lezer, de verteller en de luisteraar, allen die erin geloven, weg van de aarde en van het eigen leven, weg van het leven van de anderen. Ze dwingen niet tot getuigenis. De heerlijkheid waarvan de mythen spreken blijft voor altijd het privilege van goden die alleen in hun verbeelding bestaan.

De mensen die zelf hun goden scheppen treden met hen in papieren gemeenschap, projecteren op hen hun verlangens. Als 'het geluid van de molen vervaagt, het gefluit van de vogels verstomt', wordt hun papier verbrand en verkoolt hun gemeenschap tot enkele onduidelijke zwarte letters. Niets blijft over van hun geest tenzij de illusies van hun volgelingen.

Het verhaal van Jezus' volgelingen, het getuigenis over de gedaanteverandering, is niet van papier. Jezus heeft geen woord geschreven. Zijn leven is in het hart geschreven van allen die Hem gezien en gehoord hebben. De Evangelies zijn alleen een neerslag, een letterspoor van zijn geest, een duidelijk brandspoor van het vuur van de Geest, dat onblusbaar is, het vuur van de liefde van 'God de Vader' voor zijn Zoon.

Petrus wou op de Tabor 'drie tenten bouwen'. Hij wou daar blijven. 'Hij wist niet goed wat hij zei Jezus' kleed was niet altijd 'glanzend en zo wit als geen bleker ter wereld maken kan'. Het was gewoonlijk vuil van het stof van de weg. Het zou in Jeruzalem besmeurd worden. Het zou Hem tenslotte afgerukt worden. Pas na de verrijzenis en na Pinksteren zou Petrus weten wat hij zei. Hij zou niet meer kunnen zwijgen. Hij zou ook weten wat hij deed. Hij zou zijn Heer volgen tot Deze voor hem voor goed een tent zou bouwen.