Aswoensdag C - 2007

Ommekeer

Wanneer wij de droge as op ons voorhoofd geprent kregen, dan werden daar vroeger enkele Bijbelse woorden uit het Scheppingsverhaal bij uitgesproken:
"Gedenk, mens, dat gij stof zijt,
en tot stof zult wederkeren" (Genesis 3,19).

En dan denken wij al snel aan as, als teken van vergankelijkheid, want as blijft over als iets afgebrand is, as blijft over van een mens na een crematie. En dan denken wij aan vergankelijkheid, aan nietigheid, aan wat voorbijgaat, aan de contingentie van het menselijk leven. Er heerst een sfeer van bedruktheid rondom as, van droefheid. Wij zeggen het ook van mensen die "zitten in zak en as".
De contrast-ervaring met Carnaval zal dan ook niemand ontgaan. De uitgelaten, rumoerige, dolle vreugde van de laatste drie dagen moet om middernacht onmiddellijk omslaan in een sfeer van bedruktheid en stille rouw.

Toch is dat beslist niet de zienswijze van Jezus. In de evangelielezing van vandaag houdt Hij ons immers een heel ander beeld voor. "Als gij vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast". Het gaat Hem blijkbaar niet om uiterlijkheden. Het gaat hem niet om uiterlijke blijdschap, maar om innerlijke vreugde.
En omdat rondom de woorden "Gedenk, mens, dat gij stof zijt, en tot stof zult wederkeren", een sfeer van versterving hing, geven wij tegenwoordig bij het opleggen van de as de voorkeur aan het Jezus-woord: "Bekeert u en gelooft in het Evangelie" (Marcus 1,15).

Toch heeft dat Godswoord uit het Oude Verbond: "Gedenk, mens, dat gij stof zijt", een veel diepere betekenis dan men op het eerste gezicht zou denken. Het verwijst namelijk rechstreeks naar de Schepping. Het is ontleend aan het boek Genesis, het begin van de menselijke geschiedenis, toen God de eerste mensen Adam en Eva uit het Paradijs verjoeg met de woorden: "In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond waaruit gij zijt gekomen: gij zijt stof, ropov (afar), en tot stof keert gij terug" (Genesis 3,19). Dit stof is dus niet zozeer het stof van de vergankelijkheid, maar het stof, het aardse stof, de aarde, het leem van de aarde, waaruit de mens door God werd geboetseerd (Genesis 2,7). Het is het aardstof van de Scheppingsorde. Wanneer de mens tot stof terugkeert, keert hij terug tot de oorsprong van de Schepping, toen de Schepping nog ongebroken was. Het terugkeren tot stof is dus een ware "terugkeer", een "ommekeer", een "be-kering", en niet een oplossen in de vergankelijkheid van verbrande as. De mens keert terug tot de oorspronkelijke ongebrokenheid van de Schepping. Hij keert weer terug naar God zelf, in Diens scheppingsdaad in den beginne.

Het bescheiden askruisje wordt dan een teken van "ommekeer", van boetvaardigheid, van een begin van een nieuw leven, een nieuw begin, een "weer opnemen" van de oorspronkelijke zuiverheid van de Schepping.
Ommekeer.
De Veertigdagentijd als een tijd van "ommekeer", van terugkeren, van weer terugkeren naar het begin, naar de oorspronkelijke levensori