Zwaaien naaqr elkaar (1998)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

PARODIE OP DE KEIZER


Marcus schrijft voor de christenen in Rome. Ik stel me voor dat zij weet hebben van wat er in het jaar 71 in Jeruzalem gebeurd was. Keizer Vespasianus had de heilige stad veroverd en er, hoog te paard, een triomfantelijke intocht gehouden. De geschiedschrijver Flavius Josephus beschrijft de trotse stoet met een enorme hoeveelheid buitgemaakt goud en zilver, met grote afbeeldingen van krijgsdaden en wat erg pijnlijk was: met de schatten uit de tempel. Het verhaal van Jezus op zijn ezel moet als een parodie hierop geklonken hebben. Jezus heeft geen buit, hij etaleert geen macht. Hij is van een ander soort koninkrijk. De mensen roepen Hosanna. Het klinkt als hoera, maar het is een Hebreeuwse hulpschreeuw, waarin de naam Jehoshua, Jezus, doorklinkt. Hier is een alternatief voor wat aardse machthebbers opbouwen. Hier telt zachtheid en eenvoud, hier is de ezel populair, hier wordt geen onafhankelijkheid gedemonstreerd maar kwetsbaarheid. De mensen zingen en dansen.

ZWAAIEN NAAR ELKAAR

Bent u wel eens toegejuicht? Toejuichingen geven je een goed gevoel. Tijdens een Israël-reis verbleven we ook twee weken in Jordanië. We reden per bus door afgelegen streken. Alle voorbijgangers op straat zwaaiden als we langs kwamen. Niet alleen de kinderen, maar ook de ouderen en volwassenen, iedereen, zonder uitzondering. Wij zwaaiden terug vanachter de busraampjes als koninginnen, eerst wat onwennig, maar later uitbundig. We wisten dat we welkom waren. Het geeft je een goed gevoel. Zo kun je je goed voelen als iemand vriendelijk goeie dag zegt. Het bevestigt een mens. In de overbevolkte straten van de stad vermijden de mensen elkaars blik. Je wilt de ander niet boos maken. Maar wat zou het een feest zijn als een politieagent eens zijn duim opstak als teken van waardering omdat je je aan de snelheid had gehouden! Of als we een brief van Justitie zouden krijgen met de hartelijke complimenten over ons rijgedrag. Er zouden minder doden vallen in het verkeer. Een briefje onder de ruit met de groeten van de parkeerwacht: "Uitstekend geparkeerd, dank U!" Toejuichingen doen een mens goed.
Het is een van die dingen die we opnieuw van kinderen kunnen leren: dat het heel bijzonder is om op straat een andere mens te ontmoeten. Dit ogenblik van herkenning maakt de zin uit van de straat, veel meer dan het reisdoel. Een kleuter zit graag in een carrousel, om telkens weer naar zijn moeder te wenken. Jezus is op een veulen gaan zitten.

ZONDER SUPPORTERS KUN JE NIET

De mensen zwaaien met palmen. Ze hebben genoeg van de Romeinen, van oorlogen en onderdrukking, van een wereld die te weinig aandacht heeft voor het geluk dat de sabbat brengt. Ze willen een ánder land en een ander soort koning. Een koning die geneest, die het niet gaat om eigen eer. Een koning van liefdesland. En nu ze daar samen zo juichen, lijkt het er warempel op dat het haalbaar is. Het land van God lijkt soms zo dichtbij dat je het aan kunt raken.
Jezus heeft het bezuurd. Diezelfde week nog. Het applaus hield niet aan en het aantal supporters was te klein. Misschien waren het maar enkele tientallen. Maar op dat ogenblik waren zij heel belangrijk. Ze hebben diepe indruk gemaakt. De leerlingen en Jezus waren er zeer door bemoedigd. Met angst in het hart hadden ze het grote vijandige Jeruzalem betreden. Nu voelen zij zich gesterkt. Enkele goed supporters, dat is genoeg om vol te houden.
We hebben het allemaal nodig: mensen die ons toezwaaien. Als we geluk hadden, dan waren onze ouders de eersten die stonden te klappen bij onze eerste stapjes. Ze waren verrukt als we ons bord leegaten en zelfs als we op de pot hadden gezeten. Ze gaven een gulden voor elk rapport en vonden iedere tekening een Rembrandt, of liever een Appel. Ze stonden langs de lijn van het voetbalveld en we hoorden hoe trots ze onze uitspraken aandikten en aan de buren vertelden. Als we geluk hadden waren het later de onderwijzers, de juffrouwen, die ons prijzend en belonend dat kostbare gevoel gaven de moeite waard te zijn. Onze vrienden deden dat en misschien het allerheftigst gebeurde het toen we verliefd waren. Dan weet je weer helemaal dat er een hele goede grond is waarom je leeft. Dat is wat toejuichingen doen.
Een handjevol mensen met zwaaiende takken leidt Jezus de lijdensweek binnen. Volgen wij hem.

ONZE HARMONIE

Lieve kinderen. Toen ik klein was had ik met mijn broer een harmonie opgericht. Joke, ons buurmeisje was "tamboer-maîtresse". Een kapotte blauwe speelbal hadden we voor haar op een bezemstok gestoken en met zilverpapier beplakt. Van blikken hadden we trommels gemaakt. Natuurlijk was er een vlag en Leon die een donker matrozenpak had van zijn communie, was het bestuur. Af en toe rukten we met de harmonie uit. Bijvoorbeeld toen Hankie terug kwam als soldaat uit Nieuw Guinea. Hij had ons veel zeldzame postzegels gestuurd. We haalden hem van de hoek van de straat af. Het leuke was: als we met onze harmonie iemand gingen huldigen, dan voelden die zich geweldig. Maar tegelijkertijd wisten wij dat de mensen de harmonie mooi vonden. Ze stonden voor ons te klappen. Zo gaven wij aan de mensen het gevoel: je hoort erbij; en de mensen aan ons: je bent geweldig. Dat moeten we vaker doen. Elkaar toejuichen.