Koning op het kruis

De toekenning in 1996 van een eerste prijs door het bisdom Innsbruck aan de Oostenrijke kunstenaar Erich Kofler-Fuchsberg zorgde voor enige opschudding. Er was een wedstrijd uitgeschreven voor een uitbeelding van het Heilig Hart van Jezus. Daarvoor maakte hij een beeld van een ezel. Daarmee wou hij geenszins provoceren. Hij had begrepen dat een paard dikwijls verwijst naar strijd en strijdwagens. De ezel, het lastdier en rijdier van de armen, is dan het beeld van de vreedzame en de bescheidene Heer, die op dit lastdier mag zitten, een man zonder leger, een zachtmoedige. Op Palmzondag trekken we mee met dit ongewoon transport. „Trasporto straordinario” zo wordt dit kunstwerk eveneens genoemd.

Palmzondag, een dag van contrasten in de liturgie. We gedenken de intrede van Jezus in Jeruzalem, gevierd door zijn volgelingen. Een koning gezeten op een ezel en omringd met wuivende takken. Hanna Lam hoorde wat de ezel dacht:

Ik ben de minste onder alle dieren,

ik ben een ezel, ik tel niet zo mee.

Behalve een keer toen men feest ging vieren,

toen liep ik vooraan in de optocht mee.

 

Ik droeg een Koning op mijn grauwe haren,

een Koning zonder scepter, zonder kroon.

Ik zie de palmen nog na al die jaren

en nu nog hoor ik: Leve Davids zoon.

Maar we krijgen ook elk jaar een passieverhaal te horen. Dit jaar is Lucas aan het woord. We ontmoeten in zijn verhaal de man van de barmhartigheid, die afgewezen wordt en die toch aan de vergeving het laatste woord geeft. Hij schenkt vergiffenis aan zijn moordenaars en hij belooft het paradijs aan de rouwmoedige misdadiger aan zijn rechterzijde.

Een dubbele grondstemming kenmerkt de liturgie op deze dag. Wij loven de Heer met hen die het hosanna zingen. Wij danken bij het begin van de Goede Week Jezus om het geschenk van zijn leven voor ons en voor ons heil.

Het passieverhaal met zijn Goede Vrijdagstemming licht een tip op van de koninklijke waardigheid van Jezus. Op het feest van Christus Koning, waarmee dit jaar het jaar van de Barmhartigheid afsluit, zullen we een deel van dit passieverhaal terug horen.

Paradox van het christen zijn: over een koning spreken aan de hand van een kruis; aanvaarden dat wij voor nieuw leven met het kruis door de dood moeten gaan.

Goede Vrijdag

“Er zouden toch betere pictogrammen van het christendom te bedenken zijn: een prekende of een verrijzende of een ons omhoogtrekkende Heer. De mensheid wil hem zien lijden. Gemarteld wil ze hem zien. Vernederd. Het is door zijn menselijke onmacht dat ze zich verlost wil weten, meer dan door goddelijke almacht. Alleen in zijn lijden is hij immers van ons. De leraar en de wonderdoener aanbidden we. Met de gekruisigde lijden we mee. Het kruis lijkt het enige tastbaar bewijs van zijn menswording te zijn. Ligt aan die kruisfixatie geen collectief besef ten grondslag dat ook God het lijden de wereld niet uit kan helpen en dat hij er daarom in heeft willen delen? Een gekruisigde God. Het is niet meer dan een fractie van het fenomeen Christus. Maar die begripsvernauwing, de mensheid verlost door Gods medelijden dat is misschien de grootste troost die een religie schenken kan” (Hélène Nolthenius, De steeneik en andere verhalen, p. 132).

 

Het door de engel aangekondigd koningschap (Lc. 1,32-33) eindigt bij het kruis. Of begint het pas daar? Alles is hem afgepakt. Zijn kleren komen in handen van soldaten (Lc. 23,34). Een zwijgende menigte ziet toe. Nieuwsgierig, ontgoocheld, meevoelend? Veroordeelt ze de spotters of deelt ze hun verwijten? Hoe verhouden we ons tegenover mislukkelingen, tegenover veroordeelden?

 

Als een gevaarlijk individu is Jezus op Golgotha omwille van zijn Messiaanse aanspraak uit de weg geruimd. Een utopist die niets heeft bereikt. Hij werd gefolterd en vermoord. Onderwijl wordt hij bespot en uitgelachen. Jeroen Bosch heeft de bespotting van Jezus op weg naar Golgotha geschilderd. De zwijgende Jezus midden boze tronies. Hoe vreselijk zijn mensen om anderen te tergen, zelfs stervende. Een drievoudige bespotting, door overheidspersonen, door soldaten, door een misdadiger, die zoals Jezus aan een kruis opgehangen wordt. In de drievoudige bespotting ageert de satan uit de woestijn (Lc. 4.1-13). Jezus wordt uitgelachen. Hij die zich als Messias uitgaf, is zelf machteloos gebleken en kan zichzelf niet redden. Het opschrift in vier talen INRI lijkt eveneens op een bespotting.

 

Vergeving schenken

Jezus, van alles beroofd en door elkeen verlaten, krijgt niettemin allures van een koning. Een aparte koning is hij. Al stervende is hij koninklijk en onthult hij de gezindheid van de harten, zoals de oude Simeon had voorzegd (Lc. 2,34-35). De ene misdadiger verhardt, de andere ontdooit en spreekt vanuit zijn hart én wordt verhoord. Het is nooit te laat zich te wenden tot Gods barmhartigheid.

 

Jezus doet op het kruis wat alleen God kan: zonden vergeven (Lc. 5,21). Hij toont aan wat gans zijn leven bezielde: Gods barmhartigheid brengen. Hij had de lamme zijn zonden vergeven, hij had contact met tollenaars en zondaars, hij had verteld over de barmhartige Vader (Lc. 15). Deze toont hij tot op het kruis.

 

Jezus schenkt vergeving. Hij neemt de moordenaar, die in vertrouwen tot hem bidt, mee naar het paradijs. Zijn koninkrijk beoogt geen wereldse macht. Het is daar, waar mensen God in hun midden binnenlaten (Lc. 6,17-23). Het was daar, waar Jezus verkondigde en goed deed (Lc. 24,19; Hnd. 2,22). “Het Rijk Gods is midden onder u” (Lc. 17,20-21). Het was daar waar Jezus de geest gaf. Dit besefte de misdadiger, die tegen de spot van anderen in, aan Jezus vroeg hem te gedenken. Jesus remember me, when you come in your kingdom. Jezus biedt een perspectief aan dat reikt over de dood heen. Het koninkrijk komt, waar wij hem navolgen in zijn goedheid en gerechtigheid, in zijn lijden, vergeving en overgave.

 

Christus op het kruis heeft niets koninklijks. Alles is hem afgepakt en toch schenkt hij vrede en rust. Armand Demeulemeester schilderde voor de abdij van West-Vleteren de kruisweg der stilte. Wie goed kijkt naar de tiende statie, waar de schilder Jezus afbeeldt met zijn moeder Maria en de lievelingsleerling Johannes, ziet een hand op de kruisbalk. Het is de hand van de gelovige goede moordenaar, de eerste verloste. “In de linkerbovenhoek klampt de hand van de goede moordenaar zich vast aan het kruishout en raakt Christus. Hij was de eerste gelovige op Golgotha. Christus belooft hem het Paradijs. Belofte van de verrezen, vergevende Christus.”

 

Bij de volgende statie, de elfde, hangt de blanke Christus “in een opperste liefdesgebaar tegen een totaal ontredderde verscheurde kosmos. Hij ging tot het uiterste - tot de dood. In een allesomvattend gebaar - de uitgespreide armen tot buiten het schilderij om toch niets of niemand te laten ontsnappen - belooft Hij de wereld vergeving en heerlijkheid voor allen en voor altijd.”