3e zondag in de veertigdagentijd C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Ooit een brandend braambos gezien? Mozes wel. De vlammen slaan eruit. Mozes zat daar bij Jitro, zijn schoonvader, aan de rand van de woestijn. Hij zat niet slecht. Hij had een kudde, dus ook werk. Hij had een vrouw (dat denk ik tenminste als je ook een schoonvader hebt) en ver weg, dat weet hij, daar kreunt zijn volk onder een beroerde slavernij.

Ooit een brandend braambos gezien? Mozes wel. Ooit geleefd met zo'n zeurende brandende vraag als: 'Zit ik dan hier nog wel zo goed? Als zij daar ver weg creperen'. Zo'n vuur dat blijft branden en toch niet echt verbrandt.

Mozes begrijpt dat in zulke vlammen God heel dicht bij je is. Zo'n plek wordt een heilige plek. Doe je schoenen maar uit. Het kan een hele chagrijnige vraag zijn trouwens: mag ik nog wel gelukkig zijn, als zoveel mensen verdriet hebben? Mag ik nog wel lekker eten, als zoveel armen honger lijden? Voor de mensen in het Zuiden ligt dat anders. Kijk maar! Met grote letters zetten ze erbij: de blijdschap dat God op onze weg is! Het is prima dat Hij Mozes zulke vragen stelt. En - ernaast - voor ons part mag het hele volk zo in de fik! In die voet is de hele gemeenschap afgebeeld, en ze zijn aangestoken door hetzelfde vuur. We zetten samen voet op die heilige grond. We luisteren samen naar elkaars brandende vragen én we gaan er samen aan staan. Het is niet ons geluk tegenover hun geluk. Het is nooit wij eten of zij hongerlijden, zij verdriet of wij vreugde... Het is alleen maar wij, en waar wij naar brandende vragen luisteren, daar geeft God zijn naam te kennen. Daar is Hij aanwezig, daar maakt Hij naam. 'Ik-zal-er-zijn', heet Hij. Dat is de naam waarmee ik altijd genoemd wil worden.

De mensen in het Zuiden dansen in hun traditionele carnavalpak. Je mag blij zijn... dat Hij ons aan elkaar geeft. En dat wij zijn naam leren kennen. Kortom... het wordt niets, als we er zelf geen werk van maken.

Door de vruchten die voortbrengen, zeggen de mensen in het Zuiden, komt God zelf in onze gemeenschap. Het is de moeite waard hun werk heel precies te bekijken: de boom op het hongerdoek, die draagt wel degelijk vruchten. Je zou toch wel gek zijn, om zo'n boom om te hakken.
Links zie je de animator: de leider van de christelijke gemeenschap, die zich laat leiden door de bijbel, het licht; het boek dat hij permanent voor ogen houdt. En in hem laat de hele gemeenschap dagelijks zichzelf doorlichten met dat woord van God.
En daarin draagt hij de hele gemeenschap, heel vertederend eigenlijk, als een pak, als zijn kleding. De hele gemeenschap is op zijn pak afgebeeld. Mannen en vrouwen op zijn mouwen, werkend, samen. De bouw van een waterput, die ze samen hebben aangepakt (rechterbeen), en de herbebossing die hun zorg vroeg (linkerbeen), het zelfgebouwde gemeenschapshuis, en de bloem, als teken dat de gemeenschap bloeit.

De vijgenboom is hier dan ook het symbool geworden van de gemeenschap vol goede vruchten. En het oog van God op de boom ziet vast welwillend op zo'n volk neer. De mensen in het Zuiden zeggen ons: God komt in onze gemeenschap in en door ons werk voor elkaar. Door de vruchten die wij voortbrengen, beschermen we God in ons midden.

Een soort omkering eigenlijk: we willen niet alles van God verwachten. Wij beschermen Hem, zodat Hij niet uit ons midden weggaat. We moeten zelf - met volle handen - (handen om de boom) ons leven beschermen, bemesten, water geven op z'n tijd. Alleen dan kan het leven rijke vrucht voortbrengen. Indringende vragen aan ons van mensen in het Zuiden. Als God zo ver te zoeken is... als mensen klagen dat ze Hem niet meer zien... wat hebben onze handen dan gedaan om Hem te beschermen?