Heilige grond

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

'Wat ik zou willen', sprak God in den hoge, 'is grond onder mijn voeten; heilige grond'. Nu is er in de hemel, naar men zegt, veel heiligs: maagden en engelen, lofzangen en eindeloze muziek. En wolken, watervoorraad, wind, vonken en vlammen van vuur, ook dat. Maar geen grond. Voor heilige grond moest God neerdalen. Afdalen naar de aarde. Dat was het wat de Enige deed. Door een oneindigheid van niets en door zeven luchtlagen heen daalde Zij af.

Wist God dan de weg op aarde? Ze had zich terdege voorbereid, was trouwens altijd al goed geweest in plattegronden. Feilloos vond Zij de stad van de mensen, met midden daarin, als een oase in een woestijn, de kathedraal. Een kerk, - zag Ze die ook eens van binnen. Veel heiligs was er te ontwaren: heilige tradities, heilige boeken. Een heilig ontzag, en hier en daar een heilig huisje. Het was er goed toeven. De Enige hoorde in de aarzelende gezangen van de christenen een rijk verleden en ook zoiets als een heimwee naar de toekomst. Maar onder haar voeten voelde ze geen grond. In plaats daarvan: harde tegels, gewassen grint. En grafzerken.
Verwonderd over alle creativiteit vroeg God zich af: wat is toch de basis van zoveel schoonheid? 'Wij zijn kinderen van Abraham, en broeders en zusters in Jezus', zeiden de aanwezige christenen desgevraagd. Maar er werd nauwelijks gezworven, weinig be-sneden, veel vérsneden. Om over broeder- en zusterschap maar te zwijgen.
Even nog dwaalde de Enige rond door de heilige hallen. Maar toen ter hoogte van het hoofdaltaar een koster Haar toeriep: 'Kom niet dichterbij', toen vertrok God. De imposante uitgang was gemakkelijk te vinden.

Net buiten het centrum van de stad lag de moskee. De ingang beviel Haar: een soort achterom, met pal achter de deur honderden schoenen en sandalen, keurig op de planken. Een vage herinnering drong zich op, maar God wist niet zo gauw waaraan. Ook de vloer beviel Haar: zacht tapijt. Het deed goed je hier te buigen en je gezicht in het stof te drukken. Maar het was niet het stof van de aarde, en God betwijfelde of je deze vloerbedekking heilig mocht noemen.
Ze stond versteld, dat wel, van de eerbied en de overgave van de moslims, en kreeg respect voor hun moed zichzelf te zijn in dit, hun tweede, vaderland. Iemand aan de poort zei: 'Ik snap de angst niet van de mensen hier. Wij hebben toch dezelfde vader. Ook wij zijn kinderen van Ibrahim'. God hoorde, zag, en zweeg. De mensen zouden een jaarlijkse antiracismedag moeten uitvinden, dacht Ze bij zichzelf. Maar toen ze de moskee inliep, riep een imam Haar toe: 'Kom niet dichterbij, vrouwen achterin'. Teleurgesteld maakte Ze rechtsomkeer.

Naar de synagoge moest Ze langer zoeken. Hij was ook zo klein, en lag achteraf. God glipte naar binnen. Een klein groepje getrouwen stond te zingen rondom het verhoog met de Thorarol. Enkele anderen bogen zich over de oude regels van de Talmoed. God voelde zich aangesproken, proefde eeuwen aangevochten wijsheid, herkende de psalmen. Hoopvol begaf Ze zich naar het midden. Onder haar voeten kraakte de planken vloer. Heilige grond? Ze wist het niet.
Ze was ontroerd door zoveel toewijding aan het Woord en door de trouw van die kleine kring overlevenden. 'Wij zijn de kleinkinderen van Abraham, Isaak en Jakob', verklaarde een rabbijn die Haar herkende. 'Maar onze geschiedenis is in tweeën geknipt, toen onze vaders en moeders opgingen in rook. Jij, altijd weer Jij, waar was Jij toen?' De Enige moest het antwoord schuldig blijven. 'Denk niet dat hier de grond nog heilig is', vervolgde de rabbijn, 'teveel bloed, teveel onreinheid. Voor heilige grond moet Je naar de overkant van de zee. Ga maar, ga erop af, wij zenden Jou.' En God, met tranen in de ogen, liet zich zenden.

Over de zee heen - of dwars door de zee heen, wie zal het zeggen bij God - bereikte Zij Midden-Amerika. Vijf eeuwen geleden was dat ontdekt - voornamelijk als bron van inkomsten. Maar de grond was er nog de grond. Klei, leem, zand: er zat nog leven in. Of, zoals het daar gezongen werd: 'Ze hebben onze vruchten meegenomen, ze hebben onze takken afgesneden, ze hebben onze stam in brand gestoken, maar onze wortels zijn springlevend'.
In de verte zag God vuur. 'Ik ga erop af', dacht Zij. Het bleek een kampvuurtje te zijn. Er rondom heen zaten een paar vrouwen en mannen; op enige afstand graasde wat kleinvee. Een oud gerimpeld vrouwtje riep God toe: 'De plek waar je staat is heilig, onze Moeder Aarde. Kom dus gerust dichterbij.' God schoof aan in de kring, zag en hoorde. Droevige verhalen klonken er, over dochters en zonen meegenomen in de nacht. Maar ook, als een niet-verterend vuur, vrolijkheid, moed en hoop. Die mensen hielden elkaar overeind. Ze riepen niet alleen tegen de verre machten: 'Waar zijn onze vermiste geliefden?', ze zeiden ook tegen elkaar: 'Jij bent de enige niet, ik ben er, hier naast jou, wij zijn er'. God had geen vragen meer en huilde nu vrijuit. Ze had haar eigen naam gevonden.
'Ben jij ook iemand kwijt?', vroeg het gerimpelde vrouwtje. 'Nee, niemand', antwoordde God. Maar na enig nadenken verbeterde Ze zichzelf: 'Ja, iedereen'. 'Dan ben Jij de Enige', zei de oude vrouw, 'want wij hebben elkaar nog'.
God vertelde. Hoe Zij gezocht had naar heilige grond. Hoe Zij gehoopt had vruchten te vinden. En het gerimpelde vrouwtje troostte Haar en zei: 'Heilige grond is overal. Maar alleen als mensen je heilig zijn, zul je vruchten vinden. Alleen als je geduld hebt met elkaar, kun je de ongeduldige strijd om recht volhouden'.
Graag was de Enige nog langer gebleven. Maar Ze voelde dat Ze verder moest. Ze dronk nog wat en Ze ging. Opgelucht.