3e zondag in de vasten C - 2007

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 306 niet laden
Zusters en Broeders,
wanneer in een dorp, een gezin, in een gemeenschap iets ergs gebeurt, wanneer iemand een tegenslag te verwerken krijgt, door een ramp wordt getroffen, dan gaan de omstanders dikwijls op zoek naar schuldigen. "Hoe komt het toch, dat deze familie zo geslagen wordt? Wat is er mis gegaan?" Of nog sterker: men gaat de schuld voor het gebeuren leggen in het verleden: die familie moet ergens eens iets verkeerds hebben gedaan, en wordt daarvoor nu gestraft. Tegenslagen, misrekeningen, worden verklaard door het kwaad, dat ooit eens werd bedreven. Zo dachten ook Jezus' tijdgenoten en ze geven een paar voorbeelden uit de recente geschiedenis. Pilatus, die in het lijdensverhaal zijn handen in onschuld waste, was zeker geen doetje. In de noordelijke provincie Galilea had hij eens een razzia laten houden onder de bevolking: een aantal van hen waren vermoord en Pilatus had hun bloed vermengd met dat van de offerdieren, dat normaal voor de eredienst werden geplengd. Vandaar hun vraag: "Vanwaar die straf voor deze onschuldige mensen? Wat hadden zij misdaan? met welke zonden waren zij beladen?" Of nog een straffer voorbeeld: "Bij de instorting van een toren bij de Siloamvijver kwamen achttien mensen om. Waarom moest dit gebeuren? Wat hadden deze mensen misdaan?" Dergelijke vragen gaan uit van een redenering, zo oud als de mensheid zelf: nl. dat God het kwade straft en het goede beloont. Wordt iemand door ellende en leed getroffen, dan krijgt die loon naar werk omwille van zijn zondig verleden. Omgekeerd: kent iemand geluk en voorspoed, dan heet dit een beloning voor zijn rechtschapen levenswandel. En ook God komt er goed uit: Hij doet wat van Hem wordt verwacht: Hij loont het goede en straft het kwade.
Maar vanuit onze levenservaring, goede vrienden, weten wij dat een dergelijke redenering al te simpel is. Trouwens, ook Jezus haalt dit principe onderuit. "Denkt gij dat al die Galileeërs zondaars waren? Of waren die achttien doden bij de Siloam de enige zondaars in gans Jeruzalem? Volstrekt niet", zegt Jezus.
Maar als God niet de beloner is van het goede en de straffer van het kwade, heeft het dan nog enige zin tot die God te bidden, Hem onze noden en vragen voor te leggen? Waarom hebben we die God dan nog nodig? Wat voor iemand is Hij, die God van Jezus Christus, die goede Vader, die God van liefde? Waarom laat Hij al dat kwade in onze wereld gebeuren?
Wat antwoordt Jezus op deze problemen van zijn tijdgenoten, die ook de vragen nog van vandaag zijn? De Heer vertelt de gelijkenis van de vijgenboom. Hij leert ons dat God met zijn mensen eindeloos geduld heeft, dat het nooit te laat is voor bekering, voor de ommekeer naar het goede. Maar bekering is wel nodig. "Als gij u niet bekeert zult ge allen op dezelfde wijze omkomen". God neemt het op voor mensen en heeft veel geduld met hen, veel meer dan wij voor elkaar. Maar de parabel roept ons op dat ook wij -net zoals de wijngaardenier- geduld zouden hebben met elkaar en dat wij voor elkaar zorg, veel zorg hoeven te dragen. En dan kunnen ook wij in de toekomst goede vruchten voortbrengen; zo niet, dan kunt ge die vijgenboom omhakken.