Een ongelukkige God?

2018 was het herdenkingsjaar van het einde van de eerste wereldoorlog. Bij die gelegenheid stond in de Sint Romboutskathedraal de kruisweg van Walem. Het waren veertien staties met pijnlijke gebeurtenissen tijdens de eerste wereldoorlog in het dorp Walem. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd er hevig gevochten bij het fort van Walem

Jan Van Buggenhout bespeurde als gelovig mens enerzijds en archivaris van de Heemkundige Kring Dr. Croquet Walem anderzijds, tijdens de voorbereiding van de herdenkingstentoonstelling van de Eerste Wereldoorlog parallellen tussen beelden uit die tijd en de staties van de christelijke kruisweg. Hij wilde vooral de kleine mens in de grote oorlog belichten, zoals die geconfronteerd werd met angst en dood. Hij bereikte dat doel met deze kruisweg.

Zoveel leed

Bij het bekijken van die kruisweg, die naar zoveel wreedheid verwees, kwam plots bij mij de bedenking op: God moet toch wel ongelukkig zijn om onze wereld, waarin mensen elkaar zoveel pijn hebben aangedaan en nog aandoen.

Elke dag vloeien er tranen van mensen die lijden onder de boosheid van de medemens, maar ook tranen van hen die slachtoffer zijn van natuurrampen. En voor deze laatste kunnen we niet altijd de medemens verantwoordelijk stellen. Al worden ons natuurrampen voorspeld als gevolg van de klimaatverandering door menselijke activiteiten.

Jezus is met dergelijke vragen geconfronteerd. Mensen vertellen over de wreedheid van Pilatus en over het instorten van een toren. Jezus spreekt dan over onze verantwoordelijkheid en over onze waakzaamheid. (Lc. 13; 1-9). Jezus is ongelukkig en weent over Jeruzalem omdat de stad zich afsluit voor zijn boodschap (Lc. 19,41-42).

Neen, God kan niet zo tevreden zijn met onze wereld. Dit laat een schrijver van het boek Genesis al verstaan, wanneer hij vertelt over een eerste mensenpaar, over de eerste broedermoord, over wat er gebeurde ten tijde van Noach. God had spijt dat hij de wereld geschapen had.

Bevrijd uit het slavenhuis

De Bijbel bevat meerdere plekken waar God de fouten van zijn volk aanklaagt. Israël herinnert zich vooral de start van zijn geschiedenis toen het verbleef in Egypte. Het ging er de Israëlieten slecht aan toe. Aan Mozes richt God dit woord: “Ik heb de ellende van mijn volk gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord, ja, ik ken zijn lijden. Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte’’ (Ex. 3,7-8).

Toch vindt de mens dat God de ogen sluit wanneer mensen lijden. Vijfenzeventig jaar geleden werd de wereld geschokt door de beelden van wat was gebeurd in Birkenau-Auschwitz. Het is straks veertig jaar geleden dat paus Johannes Paulus die plaats bezocht. In 2008 ging paus Benedictus erheen. In zijn toespraak zei hij “Op deze plaats van ellende, een opeenhoping van misdaden tegen God en de mensen zonder weerga in de geschiedenis, te spreken is haast onmogelijk - is schier moeilijk en belastend voor een christen, een paus, die uit Duitsland komt. Op deze plaats schieten woorden tekort, is alleen maar een groot zwijgen geboden - zwijgen, dat een innerlijke roep tot God is: Waarom heeft U gezwegen? Waarom heeft U dit alles laten gebeuren? In zulk een zwijgen buigen we ons inwendig voor de ontelbare schaar van hen, die hier geleden hebben en ter dood zijn gebracht: dit zwijgen wordt dan echter een luide bede om vergeving en verzoening, tot een roep tot de levende God, opdat Hij dit nooit opnieuw laat gebeuren.”

Zijn naam. Ik ben er

Het geheugen van een mens is korter dan dit van God. Nooit meer oorlog, roepen we en voortdurend zijn mensen slachtoffer van geweld. God kiest voor het leven en de ene mens doodt de andere. De God die zich aan Mozes te kennen gaf bij het brandend braambos, gaf later bij de Sinaï aan Mozes en het volk een to do lijst mee, deze van de tien levensgeboden. De eerste zin luidt daar: “Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte heb bevrijd” (Ex. 20,2).

God is niet onverschillig. Wanneer hij aan Mozes zijn naam bekend maakt drukt hij daarbij zowel zijn verhevenheid uit als zijn nabijheid. Het gaat over soevereiniteit en over verbondenheid. “Ik ben die ben. Ik ben er, ik ben met jou begaan.” Zo vaak wordt met beelden van een wijngaardenier en van een bruidegom gesproken over de zorg van God voor zijn volk. De Bijbel is het verhaal van God, die een verbond sluit met zijn volk.

In het boek Exodus vormt het verbond van God met Israël en de uittocht uit Egypte het centrale thema. Mozes krijgt als geschenk het horen van Gods naam. Deze naam geeft hij door aan het volk, dat deze naam als heilig ontvangt en waardeert en hem daarom niet uitspreekt en deze vervangt door de naam Adonai, de allerhoogste, de Heer.

God is de grote aanwezige in alle boeken van het Oude Testament, waar Joden en christenen op steunen. Soms wandelt Hij tussen de mensen, andere keren is Hij als de verborgene, achter of in een wolk. Hij wordt aanbeden, geloofd. Er wordt wel eens om hem gevloekt en met hem geworsteld. De psalmisten tonen dit voldoende aan.

Schrap de naam van God en de pit is uit dit boek. “God is niet weg te denken uit de geschiedenis. Haal Hem eruit en je verstaat niets van de geschiedenis van de mensheid” (M Bellet).

Doorgeven

Het volk is er toe gehouden Gods geboden te onderhouden. Israël krijgt de opdracht de herinnering aan Gods handelen te bewaren en door te geven.

De huiscatechese is daarbij heel belangrijk. In het vijfde boek van Mozes, boek Deuteronomium staat geschreven: “Wanneer uw zoon u later vraagt: `Wat betekenen toch die verordeningen, bepalingen en voorschriften, die Jahwe onze God u gegeven heeft', dan moet gij hem antwoorden: `Wij waren slaven van Farao in Egypte, maar Jahwe heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.

Voor onze eigen ogen heeft Hij Egypte, Farao en heel zijn hof met grote, schrikwekkende tekenen en wonderen getroffen.

Maar ons heeft Hij vandaar weggeleid om ons te brengen naar het land dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.

Daarom heeft Jahwe onze God ons geboden al deze voorschriften te volbrengen en Hem te vrezen. Dan zullen wij altijd gelukkig zijn en zal Hij ons leven schenken, zoals thans het geval is.

Daarom is het onze plicht tegenover Jahwe onze God, nauwgezet alle geboden te volbrengen die Hij ons gegeven heeft” (Dt. 6,20-25).

Het is in de familie en in een gemeenschap, dat wij ingeleid worden in het verhaal van Gods grote daden.

Paulus herinnert de gemeente in Korinthe aan de bevrijding uit Egypte en aan Gods aanwezigheid onder zijn volk. Hij waarschuwt zijn lezers voor ontrouw aan de God van onze vaderen. Gods naam is geen garantie, maar een verantwoordelijkheid. Paulus verwacht van de christenen, dat zij, die vertrouwen op God en op Christus, dat zij het goede doen (1 Kor. 10,1-6).

Tasten

Het geloof in God is een tastend gebeuren. “We moeten God niet willen vastgrijpen, maar Hem ongrijpbaar laten en zijn en God zo verbijsterend tastbaar brengen: ‘Ik ben die ben’. Alleen de ongrijpbaar tastbare God kan mensen aanspreken, hoop geven en moedig maken. We hebben daar wel een nieuwe religieuze taal voor nodig. Een taal die niet definieert maar suggereert; die God niet grijpt, wel naar Hem tast. Tasten is het omgekeerde van grijpen, het is voelen en loslaten. Dat is wat schoonheid doet. Daarom moet de kerk dringend de banden met de kunst aanhalen en haar ruimte geven. Eigenlijk dient er een nieuwe, drieledige synthese te komen van religie, wetenschap en schoonheid – van ziel, verstand en gevoel. Dat zit ten ander in het christelijk geloof: het reikt een God aan die alles tot vervulling brengt, het geeft de mens de opdracht de schepping te ontleden en het vertelt over God in verhalen en beelden.” (Mark van de Voorde, Naar een denkende kerk in onze verdwaasde wereld, Tertio 921)

“Hoe dichter je God nadert, hoe meer Hij zich terugtrekt” (M. Bellet, Tertio, 10 december 2018).

In de huidige tijd zijn veel mensen begaan met religie. Ook de ketter er de kerkvorst zijn er mee bezig. “Het al of niet bestaan van God behoort niet tot het domein van het weten” (E. Kant). “We zijn met het geloof in God ook de ervaring van het heilige verloren. Heeft het luid geproclameerde atheïsme ons ontvoogd of heeft het ons ook armer gemaakt?” (Dirk De Schutter, D.S. 29 jan. 2019).

Wie reflecteert over de mens komt wellicht bij het geheim dat ons overtreft. Dit voelt de psalmist die in psalm acht de vraag stelt: “Wat is de mens dat gij hem gedenkt!”

Er is een kompas dat naar hem verwijst. Daarvoor spreekt Edith Stein in een gedicht. Ze was de dochter van een gelovige Joodse vrouw, ze heeft als jong meisje het bidden achterwege gelaten en is naderhand gedoopt en ingetreden in de Karmel en als kind van het Joodse volk is ze vergast in Auschwitz.

Onder de vele slachtoffers van Auschwitz had Paus Benedictus ook het gelaat voor ogen van Edith Stein. Hij zei: “Ons komt het gezicht van Edith Stein, Theresia Benedicta van het Heilig Kruis, tegemoet - Jodin en Duitse, die tezamen met haar zuster in het duister van de nacht van de nazi-Duitse concentratiekampen verdwenen is, die als Christen en als Joodse met haar volk en voor haar volk sterven wilde. De Duitsers, die destijds naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werden en hier gestorven zijn, werden als het schuim van de natie voorgesteld. Maar nu herdenken we hen dankbaar als de getuigen van de waarheid en het goede, dat ook in ons volk niet verdwenen was. Wij danken deze mensen, dat zij niet gezwicht zijn voor de macht van het kwaad en zo als licht in het donker van de nacht voor ons staan.”

“Ja, achter al deze gedenkstenen verbergt zich de wederwaardigheden van talloze mensen. Ze roepen ons gedenken op, ze roepen ons hart op. Niet tot haat willen ze ons brengen …. Zij willen de moed tot het goede, tot de weerstand tegen het kwade in ons opwekken. Ze willen ons tot die gesteltenis brengen, die zich van de woorden bedient, die Sophocles in de mond van Antigone heeft gelegd: "Niet om te haten, maar om samen lief te hebben besta ik."

In 1940 schreef Edith Stein een gebed voor een goede vaart in stormachtige tijden.

Heer, stormachtig zijn de golven

En duister is de nacht

Wil U het niet verdrijven

Voor mij, die eenzaam wacht?

Houd vast de hand aan het stuur

En wees getroost en stil.

Uw scheepje is mij kostbaar,

Ik wil het ter bestemming leiden.

Houd vooral en steeds de blik op het kompas gericht,

Dit helpt om het doel te bereiken

Doorheen de stormen en de nacht.

De naald siddert zacht

En staat dan weer stil,

Zij wijst jou de richting,

Waarheen ik varen wil.

Wees daarom getroost en stil.

Het vaart door storm en in de nacht.

Vertrouw jou aan Gods wil

Waarbij het geweten waakt.

Edith Stein

“God staat aan het begin en Hij komt aan het einde.

Zijn woord is van het zijnde oorsprong en doel en zin” (ZJ 541)