3° Zondag Vasten C (2013)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

"Bij ons brandt het heilig vuur" - zei mij ooit een toen nog echt jonge man, architect, getrouwd en vader van twee kinderen. "Bij ons brandt het heilig vuur." Ik hoor het hem nog zeggen. En ik zie nog zijn ogen terwijl hij het zei. "Bij ons brandt het heilig vuur." - Het waren niet zijn eigen woorden, maar die van zijn vader, gesproken op diens sterfbed. Ik denk, dierbare gasten en parochianen, als je dat kunt zeggen, op je sterfbed, dan mag je wel zeggen dat je leven gelukt is, dat het geslaagd is; dat je gelukkig bent geweest - als de heilige vlam in jouzelf en in jouw eigen intiemste kring van mensen is blijven branden, als jijzelf in staat bent geweest om die vlam brandend te houden ook.

Dat heilig vuur, het moet je geschonken worden. En je moet het zíen. Het overkómt Mozes in de eerste lezing vandaag, uit het boek Exodus. Hij heeft er niet om gevraagd om dat heilig vuur te zien, maar het gebeurt. Maar dat zien van dat heilig vuur brengt voor hem ook een opdracht met zich mee: "De roep van de Israëlieten is nu tot mij doorgedrongen en Ik heb ook gezien hoe de Egyptenaren hen onderdrukken. Ga er dus heen. Ik zend u naar de farao. U moet mijn volk, de Israëlieten uit Egypte leiden." Ga daar maar aan staan, veelgeliefden, aan zo'n "bevrijdingsproces", als individu, als kleine mens met zijn en haar mogelijkheden, maar ook met zijn en haar beklemmingen, remmingen, begrenzingen, reëel of ingebeeld.

"Bij ons brandt het heilig vuur." Sinds de toen jonge architect de woorden van zijn vader op diens sterfbed citeerde zijn ze met mij mee gegaan, zoals met hem, met de zoon, de architect zelf. Want dat is wat je wilt, als mens, ik wél tenminste: dat dat heilig vuur in je leeft. Bij de vader van de architect hadden die woorden een duidelijk religieus/godsdienstige lading en betekenis. Voor die vader hadden die woorden duidelijk te maken met waar het om ging en gaat in de kerk: om het heilig vuur van Gods aanwezigheid. Dat vuur van het geloof in God heeft die vader ook op zijn kinderen trachten over te dragen. Zijn zoon, de architect, is kerkelijk gehuwd. De kinderen zijn ook gedoopt. Maar het is al heel lang geleden dat ik hem, zijn vrouw en hun kinderen in de kerk heb gezien. Misschien vinden zij het er niet meer, dat heilig vuur. Of misschien hebben ze het ergens anders gevonden. Dat zou natuurlijk kunnen. Of misschien hebben ze het niet nodig, dat in de kerk dat vuur in hen opgerakeld wordt. Het brandt misschien zó ook wel voor hen, in de warme haard van het huwelijk, van het gezin, van de familie, van hun dagelijks leven. Ik zal het ze eens vragen, aan de architect en zijn vrouw. Ik zal ze de tekst van deze verkondiging opsturen. Als Mozes niet naar de berg wil komen, dan moet de berg maar naar Mozes toe komen.

Dezelfde vraag, veelgeliefden, mag ik echter ook net zo hard aan mijzelf stellen. De eerste lezing vandaag, over Mozes en "de brandende braambos" zoals we klassiek zeggen, werd ook gelezen bij mijn priesterwijding, nu bijna negentien jaar geleden. Hoe is het sindsdien gegaan met dat heilig vuur in mij, dat ik toen, negentien jaar terug, zeker zag of in elk geval méénde te zien? Leeft en brandt het nog in mij? En in u?

Ervaren u en ik dat vuur in ons bidden? Bid je überhaupt? Zoek je bewust die ervaring? Ben je er vasthoudend in? Geef je het niet op? Maak je er tijd voor vrij? Motiveert het je om op te staan? Heb je er zin in? Heb je er iets voor over? Lukt het je om in deze tijd van jaar, de veertigdagentijd, de vastentijd, om voedsel te geven aan je bidden door bijvoorbeeld minder te eten en te drinken enzovoort? Of gaat dat allemaal aan je voorbij? Denk je: laat maar zitten, want ik zie dat niet zitten? Ik zie er de zin niet van in en ik heb er gewoon ook geen zin in? Dient jouw bidden en dient jouw vasten eventueel jouw eigen vrijheid en geluk en die van anderen? Want daar is het toch om begonnen in het leven in het geloof? Dat het heilig vuur in je brandt. Dat is één. En dat het heilig vuur ook iets bewerkt, dat het iets met en voor jouzelf en anderen doet, dat het je ergens brengt. Dat is twee.

Een mens, een man die tot zijn dood op eenennegentigjarige leeftijd heeft gebrand als een fakkel was pater Jan van Kilsdonk, vanaf 1948 godsdienstleraar en studentenpastor hier in Amsterdam en bijna al die jaren "wonend onder deze parochie" zoals we dat zeggen. Afgelopen week verschenen de memoires van de pater, door Alex Verburg, die uit de mond van de pater bijvoorbeeld optekende de volgende woorden: "Toen ik vijfenzestig werd, dachten al die bisschoppen: nu houdt hij eindelijk zijn mond en is het afgelopen." Maar zo was het niet. De pater bleef gewoon doorwerken en publiekelijk ook zijn soms zeer ongezouten meningen geven, bijvoorbeeld óver de Nederlandse bisschoppen. Die lustte hij rauw. En de paus ook. En nu zijn zij en wij, dankzij die memoires, nóg niet van hem af. "Hij blijft spreken, ook na zijn dood."

Pater van Kilsdonk werd geboren in het dorp Zeeland, in Brabant, aan de Maas. Vanuit zijn jeugd in dat dorp verhaalt de pater in zijn memoires het volgende:

"Net even buiten het dorp woonde Piet, en Piet was na veel ruzie met de pastoor uit de kerk getreden. 'Ik geloof niks meer,' zei Piet, 'het is allemaal onzin.' Hij was de eerste, de enige afvallige buiten de parochie. Dus vroeg ik eens tijdens een hevig onweer aan mijn moeder, ik was een jaar of negen: 'Piet zal wel niet bidden nu?'

'Nee,' zei mijn moeder, 'Piet bidt niet.'

'Dus dan is Piet meer in gevaar dan wij.'

'Nee,' zei mijn moeder, 'zo is Onze-Lieve-Heer niet.'

'Maar waarom bidden wij dan wel?'

En toen antwoordde mijn moeder," zegt pater van Kilsdonk aan het eind van zijn leven, "toen antwoordde mijn moeder iets wat mij helemaal tevredenstelde, als kind en ik denk nu nog. Als ze bijgelovig was geweest, dan had ze mij gezegd: 'Ja, dan loopt Piet inderdaad meer risico dan wij.' Maar dat deed ze niet. (...) Nee, ze antwoordde, en het frappeert me nu nog: 'Als we dan toch naar de bliksem gaan, jongen, dan is het beter om mét de gekruisigde Christus naar de bliksem te gaan, dan zonder.' Echt gebed is geen bezwering", zo concludeert de pater dan: "Echt gebed is geen bezwering. Echt gebed is dat nooit." Tot zover pater Van Kilsdonk.

Zijn woorden sluiten geheel aan bij, zo dunkt mij, en die woorden verhelderen hopelijk voor ons het evangelie van deze zondag. Mensen die door onheil worden getroffen: mensen die in de pan worden gehakt, letterlijk, door een wrede tiran, destijds door Pilatus en op dit moment door zo'n president Assad van Syrië, mensen die bedolven worden onder een instortend bouwwerk of iemand die, zoals een paar dagen terug in Florida, met bed en al verzwolgen wordt door de zich openende aarde in een zogenaamd sinkhole, je kunt niet zeggen dat zulke mensen dan "wel iets op hun geweten zullen hebben gehad" en dat ze nu, op die manier, door God worden gestraft voor hun zonden. Nee, veelgeliefden, zo zit de wereld niet in elkaar en zo zit ook God niet in elkaar. "Geen sprake van!" horen we Jezus tot twee keer toe zeer beslist en luide betogen - duidelijk anders als Paulus in de tweede lezing vandaag uit de eerste brief aan de christenen van Korinthe. Want daarin schrijft Paulus over de mensen die onder Mozes' geleide zijn weggetrokken uit Egypte: "in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers: zij werden neergeveld in de woestijn." Dus in degenen die dan wel in leven bleven zou God dus wel behagen hebben gehad? "Geen sprake van zegt Jezus", Paulus corrigerend.

Jezus knipt die gietijzeren logica van "onheil = zonde", Jezus knipt die door. Onheil kan op allerlei manieren met menselijk falen, tekortschieten, ja met 'zonde' te maken hebben. Maar het zijn zeker niet per se de slachtoffers, degenen die getroffen worden door het onheil, die 'het' ook gedaan hebben, die de slechterikken zijn. Onheil waardoor andere mensen getroffen worden, zou voor allerlei mensen aanleiding kunnen of ook moeten zijn om zich achter de oren te krabben, om de hand in eigen boezem te steken en om zich te bekeren. De krant, veelgeliefden, is in belangrijke mate één j'accuse, één beschuldigende vinger: de bankiers, de wielrenners, de kardinalen, ze worden allemaal aan de kaak gesteld en aan de schandpaal genageld. Ze deugen niet wordt gezegd. Misschien is dat zo. Maar deugen de mensen die het allemaal neerschrijven zelf wel?

Nog één keer, tot besluit, pater Van Kilsdonk. Na de oorlog was hij aalmoezenier in het kamp Vught. Daar waren collaborateurs, lándverraders geïnterneerd, mensen die "algemeen veracht" werden. Vaak werden de mensen in kwestie "onrechtvaardig behandeld"." Wrede bewakers die wraak namen en zo. Of aalmoezeniers en dominees die de gevangen op hun schuld wezen." "Ik heb dat", zegt pater van Kilsdonk in zijn memoires, "ik heb dat altijd onvruchtbaar gevonden." "Ik kan mij herinneren dat de eerste echte dienst die ik daar deed, begon met een voorlezing uit Genesis 1. Alsof er niets aan de hand was. Geen uitleg, niks. Daarna Genesis 2, Genesis 3, Genesis 4... (...) En toen, zeg maar de vijfde keer, zei ik: 'Beste jongens, dit boek hebben wij van de Joden gekregen.' Ze wisten wel wat dat betekende. 'Van de Joden gekregen. Zij hebben het niet altijd gemakkelijk gehad...' Verder niets. Niet: jύllie hebben de Joden... Nee. Schuldige mensen bekeer je niet door ze te beschudigen, maar door ze te eerbiedigen." Opdat het geknakte riet niet breekt, opdat de kwijnende vlaspit niet dooft, opdat het heilig vuur van God in ons niet dooft... Moge het in ons allen blijven branden. Mogen wij het in onszelf en elkaar brándend houden door elkaar en onszelf te eerbiedigen. Amen.