Vasten (C)

Zusters en broeders,

Jezus bestijgt de berg Tabor om er te bidden, en Hij neemt Petrus, Johannes en Jacobus mee. Misschien vragen wij ons daarbij af waarom Hij die apostelen meeneemt. Hij bidt toch persoonlijk tot zijn Vader in de hemel? Maar het wordt snel duidelijk waarom Hij hen heeft meegenomen: Hij verandert helemaal van aanschijn, en gaat met Mozes en Elia een gesprek aan over zijn heengaan – dus over zijn kruisdood. Tegelijk laat Hij zien dat die kruisdood slechts een overgang is naar zijn verrijzenis. Precies daarom heeft Hij de drie apostelen meegenomen: om hen te laten zien dat zijn kruisdood niet het einde zal zijn, integendeel. En wat doen ze? Ze vallen in slaap! Met andere woorden: ze kunnen niet meer volgen, en vooral: ze willen niet meer volgen. Ze willen er niet van weten dat Jezus vermoord zal worden. Vandaar het voorstel van Petrus dat hij drie tenten zal bouwen, ‘maar hij wist niet wat hij zei’, voegt de evangelist daaraan toe. Maar Petrus wist maar al te goed wat hij zei: hij wilde verhinderen  dat Jezus naar Jeruzalem zou gaan en daar door zijn tegenstanders vermoord zou worden, want voor zo’n mislukking hadden hij en de andere apostelen niet alles achter zich gelaten om Hem te volgen, integendeel, ze wilden er beter van worden, er hun voordeel uit halen. Wanneer de evangelist dus zegt dat Petrus niet wist wat hij zei, bedoelt hij dat Petrus niet beseft dat hij onzin vertelt. Hij wil immers de goddelijke zending van Jezus zelf in handen nemen, hij wil dus machtiger zijn dan God, en wie denkt dat zoiets kan, weet inderdaad niet wat hij zegt. Immers, alles ligt in Gods handen, en niet in die van de mens.

Dat is ook zo in de eerste lezing. Daar sluit God een verbond met Abraham. En net als de apostelen valt Abraham in een diepe slaap wanneer God gestalte geeft aan dat verbond. De boodschap is duidelijk: niet de mens sluit een verbond met God, maar God sluit een verbond met de mens.

Dat doet Hij ook met ons. Jezus nodigt dus ook ons uit om de berg Tabor te bestijgen om de verrezen Heer te zien, en een stem te horen stem die zegt: ‘Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene. Luister naar Hem.’

Maar wij horen zoveel stemmen: politieke stemmen, reclamestemmen, geldstemmen, stemmen die oproepen tot succes, tot eigenbelang, tot meedraaien in de winkel van meer en meer. En ook stemmen die aansporen tot onverschilligheid tegenover de natuur, het milieu, onze medemensen. ‘Ga je eigen gang, en trek je van niets of niemand iets aan,’ zeggen die stemmen. Dus moeten we ons afvragen: luisteren we naar die stemmen, of luisteren we naar Jezus? Voeren we, net zoals Petrus, liever een nummertje van eigenbelang op? Willen ook wij dus alles bij het oude laten, zolang het ons voordeel maar niet aantast? Willen ook wij niet openstaan voor wat nieuw is, voor wat onzeker is, voor wat vreemd is? En wil onze Kerk dat wel: openstaan voor inzichten en verlangens van de mens van vandaag, of blijft ze zweren bij haar macht en eigenbelang van de voorbije eeuwen? Luistert onze Kerk echt naar de stem van Jezus en de stem van het kerkvolk, of luistert ze liever naar haar eigen stem?

Zusters en broeders, vorige week zagen we hoe de duivel Jezus probeerde te verleiden met krachtpatserij, wereldlijke macht en het misbruik van God de Heer. Vandaag zegt God de Heer: ‘Kijk naar de hemel, en luister naar mijn Zoon, de Uitverkorene.’ Die boodschap is ook tot ons gericht. ‘Ga niet in op de verleiding van de duivel, maar luister naar Jezus. Kijk dus naar de hemel, want als je alleen naar de aarde kijkt, zie je alleen maar aardse dingen en heb je alleen belangstelling voor jezelf,’ zegt God de Heer. Het is een boodschap die we ook de volgende weken zullen horen. Een boodschap die helemaal aansluit bij deze veertigdagentijd. Een tijd waarin ons gevraagd wordt ons te bezinnen over onze manier van leven, van doen en denken, van geloven.  En ook een tijd van minder en meer: minder aandacht voor onszelf en ons eigenbelang, en meer aandacht voor ons geloof en onze medemensen. Dit jaar gaat die aandacht uitdrukkelijk naar de boeren in Guatemala. Dat zijn mensen die in mensonwaardige omstandigheden proberen te overleven in een land waar de heersende klasse niet naar de hemel kijkt en niet naar Jezus luistert, maar wel naar de duivel. Met alle gevolgen van dien: een doodarme massa van volwassenen en  kinderen zonder toekomst. En toch groeit hun hoop dat ze kunnen rekenen op mensen die niet in slaap vallen bij het horen van Gods woord. Mensen die naar Jezus en niet naar de duivel luisteren. Laten wij proberen zulke mensen te zijn. Amen.