2° Zondag Vasten C (2013)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Verkondiging op 24 februari 2013, tweede zondag van de veertigdagentijd

"Die hele nacht en ochtend leefde hij volkomen onbewust en voelde zich volkomen ontdaan van de materiële levensvoorwaarden. Hij had een hele dag niet gegeten, had twee nachten niet geslapen, had een paar uur ontkleed in de vrieskou doorgebracht en voelde zich toch niet slechts fris en gezond als nooit tevoren maar ook volkomen onafhankelijk van zijn lichaam: hij bewoog zich zonder zijn spieren in te spannen en voelde zich tot alles in staat. Hij wist zeker dat hij zo nodig de lucht in kon vliegen of de hoek van het huis van zijn plaats kon tillen."

Een passage waarmee ik deze verkondiging begin, een passage uit Lev Tolstojs beroemde, weergaloze roman Anna Karenina. Ik heb twee goede redenen om dat boek momenteel te lezen:

1. Komende zomer gaan we met een groep op wandelbedevaart in Rusland. U kunt nog mee als u wilt!

2. Het afgelopen jaar ben ik als pastor op indringende wijze geconfronteerd met mannen die verlaten zijn door hun vrouw. En daarover gáát Anna Karenina: over het huwelijk, over huwelijken die goed gaan en over huwelijken die stranden. De passage die ik voorlas gaat over een man die helemaal in de wolken is. Hij is verliefd. Het is wederzijds. Hij gaat de volgende dag naar haar ouders toe. En hij weet zeker dat het goed zit. Ja, veelgeliefden, dierbare gasten en parochianen, dan kún je in de wolken zijn...

 "Hij voelde zich volkomen ontdaan van de materiële levensvoorwaarden." "Hij voelde zich volkomen onafhankelijk van zijn lichaam." Iedereen die in deze Veertigdagentijd een beetje zijn of haar best probeert te doen om te vasten, mérkt dat het heel moeilijk is om als mens los te komen van die materiële levensvoorwaarden en van het eigen lichaam. Wie vast of zich onthoudt, wie niet of minder probeert te eten en te drinken, die erváárt wat Paulus bedoelt in zijn brief aan de Filippenzen waaruit wij zoëven hoorden voorlezen, waar hij schrijft, Paulus, nota bene "onder tranen", over vele mensen "die een leven leiden als vijanden van het kruis van Christus. (...)" "Hún god is hun buik" schrijft hij. Inderdaad veelgeliefden, zo is het het. Onze buik kan erg belangrijk voor ons zijn. Onze buik kan veel té belangrijk voor ons zijn. Wie of wat is jouw god? Is dat het aardse? Is dat je buik? Of ontmoet jij jouw God in en door het kruis van Jezus Christus?

Abram hoorde, nog voordat hij Abrahám werd, "de vader van vele volken"; Abram hoorde God spreken, "in een visioen" (Gen. 15,1). Wij hoorden daarover in de eerste lezing. En in het evangelie vandaag, óók een visioen, bovenop de berg, terwijl Jezus bidt. "Hij veranderde van uiterlijk en zijn kleren werden stralend wit." Dat staat daar denk ik zó, dierbare gasten en parochianen, vanwege wat er van binnen bij de biddende Jezus en bij degenen die Hem zien bidden gebeurt. Jezus' gezicht verandert, het gaat strálen, vanwege een licht dat hij innerlijk ziet. Er komt een visoen. Jezus' leerlingen zien iets bijzonders: "Ineens waren er twee mannen met Hem in gesprek. Het waren Mozes en Elia, die in heerlijkheid verschenen en over zijn heengaan spraken, de voleinding van zijn leven in Jeruzalem." Interessant contrast, op dit punt, met de tweede lezing, de brief aan de Filippenzen. Daar schrijft Paulus over mensen van wie hun einde "hun ondergang" is. Zó niet bij Jezus. Diens levenseinde is de "vóleinding" van zijn leven en een "heengaan". Hoe zul jíj je leven beëindigen? Hoe wíl jij dat het eindigt? Zul jij ten onder gaan? Of zul ook jij je leven voleindigen? Zul ook jij je leven vól, vervuld eindigen en vervolgens heengaan, ergens héén?

 Wat zien Jezus' leerlingen toch bovenop de berg veelgeliefden? Wat ís dat voor een vorm van "zien"? "Petrus en de anderen waren overmand door slaap", zo staat er, en: "toen ze wakker werden, zagen ze zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden." Gaat het hier om een innerlijk zien veelgeliefden? Of zien Petrus en de anderen ook iets buiten zich, zien ze iets vóór zich. Ik denk: beide wordt gesuggereerd. De mensen over wie het gaat zijn in een soort half-waak-half-slaap-toestand. De ervaring die zij hebben is er één in wat wel wordt genoemd: "een grens-situatie". Zij zitten op de grens van lichaam en geest. Ze zitten op de grens van zien met de ogen en zien in de geest. Ze zitten op de grens van het menselijke en van wat het menselijke overstijgt. Ze zitten op de grens van wat begrepen kan worden en van wat niet meer begrepen kan worden. Wat zij ervaren, dat is wat we noemen "het mysterie". Dat woord, "mysterie", dat is afgeleid van het Griekse werkwoord μύω en dat betekent "de ogen sluiten". Wat je ziet, wat je béter ziet, als je je ogen sluit. Dát is het mysterie. En dáárover gaat het daar bovenop die berg. Een "piek-ervaring" wordt dat ook wel genoemd. Loskomen van de aarde. Loskomen van het lichaam. Loskomen van de buik. In de wolken zijn. Denk maar aan de verliefde man in Anna Karenina.

Petrus komt in aktie: "Meester, het is maar goed dat wíj hier zijn; laten wíj drie hutten maken, een voor U, een voor Mozes, en een voor Elia." Bij de voorlezing van de bijbel is, zoals elke lector weet, het altijd heel belangrijk om de ac-cén-ten goed te leggen. In deze zinnen van Petrus moet nu de volle nadruk gelegd worden op dat wíj. Alsof alles van ons, alsof alles van Petrus zou afhangen. Dát dénkt Petrus dus. Dat mooie, dat bijzondere daar bovenop die berg - het moet door ons veilig gesteld worden, het moet bewaard worden, het moet geconserveerd worden, opgeborgen in het museum - die gedachte... Maar: "Hij wist niet wat hij zei" staat er vervolgens. Petrus heeft het niet begrepen. Hij mist het punt. Hij slaat de plank mis. Hij zit ernaast. Hij praat als een kip zonder kop. Er komt een wolk. Nu zijn ze écht in de wolken, in de mist, mist in 't hoofd. Daar moet dus iets verhelderd worden, daar in die hoofden. Uit de wolk klinkt een stem, precies zoals Abram een stem hoort. En deze stem zegt tegen Petrus en de anderen, ook tegen ons: "Dit is mijn uitverkoren Zoon; luister naar Hem." En zo is het veelgeliefden. We moeten niet naar Petrus luisteren of naar wie dan ook. Daar gaat het niet om. Als je dat doet, dan kom je op een dwaalspoor terecht. En dan ga je ten onder, als je daar op blijft, op dat dwaalspoor. Nee! We moeten naar Hem luisteren, naar Gods Zoon, naar Jezus.

In de kerk, veelgeliefden, gaat het om Hem. In Hem, in Jezus, ontmoeten wij ten volle wat wij zouden kunnen noemen "het goddelijk initiatief". Het initiatief gaat in de kerk niet van ons uit. Het gaat niet uit van Petrus of van wie dan ook, maar het initiatief in de kerk gaat van God uit. Daarom zijn wij er als kerk. En daarom zullen wij er als kerk ook altijd blijven, hoe dan ook: groot, stralend en omvangrijk of klein en miserabel - tot het einde der tijden. Want het gaat uiteindelijk en ten diepste om God en niet om ons. Wij "maken" niet de kerk, maar God doet dat. En dát, veelgeliefden, is ons behoud.

De paus, Benedictus XVI, treedt af. Pétrus gaat weg. In de kranten en op de televisie wordt de strontkar van alle misdaden van de kerk in alle eeuwen, in verband met de nazi's, in verband met de Vaticaanse bank, in verband met het seksueel misbruik natuurlijk, in verband met allerlei veronderstelde misstanden en een machtsstrijd in het Vaticaan; de strontkar van dat alles wordt in de media in heel z'n volheid over ons uitgekieperd. Dat valt soms niet mee. Je hoort en je leest soms de wildste verhalen. Natuurlijk: er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan. En: waar rook is, is vuur. Het is natuurlijk ook allemaal niet gering, wat er niet deugt aan de kerk, dat wil dus ook zeggen: wat er aan onszelf niet deugt is misschien niet gering, maar: "Uit de wolk klonk een stem: 'Dit is mijn uitverkoren Zoon; luister naar Hem.' " Dáár gaat het om. Je wilt Gods stem horen. Want anders ga je ten onder. Dus dan moet je in de kerk zijn. Dan moet je hier zijn. Hier hoor je die stem die jou helpen wil en zal om ook jouw leven tot voleinding te brengen, tot een vol einde van je leven, niet tot een leeg en hol einde. Met een lege maag, veelgeliefden, kun je misschien nog wel leven, maar niet met een leeg hart en met een lege geest. En terwijl ik dit zeg zie ik vóór mij hoe laatst in Vreugdehof een oude dame die ik ken, zéér dement en al heel erg van de wereld; hoe zij wél nog het kruisteken wist te maken. Zij heeft, om met Paulus te spreken; zij heeft denk ik niet geleefd als vijand van het kruis van Christus en nu zij zelf daar in Vreugdehof háár kruis op die manier moet dragen is Hij, is Christus er voor haar nog altijd, diep verborgen wellicht, maar toch: Hij is er. En hij zal haar redden, precies met en in en door Zijn kruis dat het hare is. En na haar leven voleind te hebben zoals Hij, zoals Jezus, zal ook zij heengaan. "Óns vaderland is in de hemel", schrijft Paulus, "vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus. Hij zal ons armzalig lichaam veranderen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam." In dat geloof zullen wij nu aan vier van ons, aan Ine en Loek, aan Leo en aan Joep de heilige zalving, het sacrament van de zieken toedienen.