Getoetst (2007)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

BEKOORLIJK

Leid ons niet in bekoring’, bidden we aan het einde van het onzevader. Ik had vroeger geen idee wat dat was. Het moest er mooi en slecht zijn anders was de bede niet nodig! Ooit logeerde bij ons een wat deftige tante. Ze was op vakantie geweest naar Londen, wat in de vroege jaren vijftig bijzonder was. Ze noemde de kleine stadjes daar ‘bijzonder bekoorlijk’. Lang heb ik gedacht dat deze tante de zonde der zonden had gedaan en in ‘Bekoring’ was geweest.
Bekoren betekent keuren, testen, beproeven.

KEURMEESTER

In de bijbel is het een vak: keurmeester van mensen zijn. De keurmeester verbleef in de hemel temidden van Gods dienaren. Af en toe werd hij naar de aarde gezonden om mensen op de proef te stellen. De naam van die keurmeester was Satan. Satan kon de gestalte hebben van een goede vriend. Van Petrus bijvoorbeeld. Toen die probeerde Jezus over te halen om niet naar het gevaarlijke Jeruzalem te gaan. Satan kon ook een dak zijn dat instort en al Jobs kinderen doodt. Soms stelt het leven je op de proef. Je kunt door de mand vallen. Je blijkt niet die aardige, geduldige of gelovige mens te zijn voor wie je jezelf altijd gehouden had.

OP DE PROEF

Je wordt bijvoorbeeld pastoor benoemd; je bent nog jong en wild en onzeker over je motieven. Je geniet de achting in een Limburgs dorp, hoort bij de notabelen. Je blijkt voorzitter te zijn van een aanzienlijk fonds ten behoeve van armen. Andere bestuursleden zijn er niet meer. Iemand zegt dat het geld ook wel een ander doel mag krijgen. Voor je werk misschien? Voor een korte vakantie ook? Om weer fris aan de slag te gaan? Een wat langere vakantie? Je zwicht voor de verleiding. Je verstand praat alles goed. Je geweten verstomt. Als u of ik in die situatie terecht waren gekomen, hadden we misschien de rug recht gehouden, maar wees niet te zeker van jezelf! Bid liever dat je niet in bekoring komt. Wie kent zichzelf zo goed? Ik heb hem verleden week bij de optocht in Voerendaal een fooi in zijn collectebusje gedaan!

OP DE PROEF (2)

Mensen vertelden het levensverhaal van vader. Hij zat in het verzet. Was nog een jongeman van een jaar of twintig. Werkte op de mijn en hielp om bonnen te distribueren voor onderduikers. Het fijne wist de familie er niet van. Hij was vaak nachten weg en ook wel eens maanden. Hij sprak er niet over. Als ik zo’n heldenverhaal hoor, zie ik mezelf onwillekeurig in de rol van verzetsheld. Natuurlijk zou ik dapper onderdak bieden aan vervolgde joden; zou ik opkomen voor zigeuners en homoseksuelen die werden uitgeroeid. Maar wees daar niet zo zeker van, bidt Jezus! Als je net getrouwd was in de oorlog. Twee kleine kinderen te voeden had en te beschermen. Misschien was je niet zo’n held.

ERBARMEN

Jezus ervoer bekoringen. Hij werd populair. Zijn genezingen maakten hem beroemd. Allerlei lieden wilden hem inschakelen bij hun religieus-politieke programma’s. Men hunkerde naar bevrijding uit de wurggreep van Rome. Zou Jezus zijn macht en invloed aanwenden ten eigen bate? Daarmee had hij af te rekenen.
‘Leid ons niet in bekoring’ bidt hij. Daarin klinkt het besef door van eigen grenzen en daarmee van mededogen voor al die mensen die gezwicht zijn.

Het houdt rekening met de mogelijkheid dat je zelf ontrouw kunt zijn, laf en een verrader. Dat mag je mild stemmen voor wie in een zwak ogenblik de verkeerde keuze maakt.

DE BEKORINGEN VAN LOTTE

Lieve kinderen.
Lotte rende naar huis. Ze had haast. Haar vlechtjes wapperden in de wind. Ze wist dat oma kwam oppassen en daar wilde ze geen minuut van missen. Oma ook niet, die stond al bij de deur. Ze vlogen elkaar in de armen. Toen kwam, wat elke dinsdag kwam. Warme thee en koekjes met chocola. Twee potjes rummikub. Oma verloor ze allebei. Verstoppertje in de kamer. Alles opruimen, net op tijd. Mamma thuis. En oma nam afscheid.
Bij het weggaan in de gang drukje ze Lotte nog twee repen Mars in de hand. ‘Eén voor jou en één voor Maarten als ie thuiskomt van voetballen.’ Met een dikke zoen namen ze afscheid. Kauwend op de chocola, rende Lotte naar boven om de reep voor Maarten op te bergen.
Een half uur later kwam de bekoring. ‘Boven lag nog een reep. Maarten zou hem niet missen. Hij wist niet dat hij hem kreeg. Maar hij was voor hem! Uit.’ Een uur later kwam opnieuw de bekoring. ‘Maarten had gister een extra gehaktbal gehad. Maarten werd altijd een beetje voor getrokken. Jongens mochten meer. Oma zou het best goed vinden als zij de Mars zelf nam.’ Ze liep de halve trap omhoog. Draaide zich om. ‘Niets ervan. De reep is niet voor mij.’ Toen Maarten thuiskwam vol verhalen over buitenspel en gemene trappen vergat ze hem de reep te geven. ‘s Avonds in bed kwam de derde bekoring. ‘Als ze te lang wachtte zou de reep misschien bederven. Niemand wil etenswaar weggooien. Als ze eens de helft aan Maarten geven en nu de andere helft vast pakte? Ze had honger.’ Lottes ogen werden zwaar. Ze zweefde naar de la toe, pakte de Mars. Ze beet erop, maar... al haar tanden braken af! Ze spuugde ze uit. Mamma kwam aanlopen en schudde haar heen en weer. Toen werd Lotte wakker. Ze wreef zich in de ogen.
‘Hier’, zei de ‘s anderendaags en gaf Maarten de reep. ‘Van oma.’
‘Hoef ik niet’, zei haar broer onverschillig. ‘Al dat gesnoep, ik wil niet dik worden. Pak jij hem maar!’
‘Wil je mij dan vet mesten?’, riep Lotte boos en ze smeet de Mars in de vuilnisbak.