BEKOORD DOOR ONZE ZELFZUCHT, HET KWAAD ONTMASKEREN EN NU KIEZEN VÓÓR HET GOEDE
De veertigdagentijd is de periode waarin wij uitgenodigd worden
tot grotere echtheid en eerlijkheid
tegenover God, tegenover onze medemensen
en tegenover de dingen rondom ons.
Maar het kwaad is nu juist een zeer bedrieglijke, valse macht,
omdat het meestal verschijnt, vermomd als het goede.
Een bekoring is altijd aanlokkelijk,
omdat er inderdaad gedeeltelijk iets goeds in steekt.
Met grote spitsvondigheid stelt het kwaad zich aan ons voor
als iets dat volledig goed en normaal zou zijn.
De waarheid vraagt nu dat wij die strategie durven ontmaskeren.
De eerste bekoring gaat over gebruik van de materie,
over onze relatie met de levensnoodzakelijke dingen.
Onze zorg voor het materieel welzijn is goed.
"Waarom zouden wij niet mogen genieten
van de welstand die voorhanden is?"
"Wij hebben eigenlijk toch wel een minimum
aan bezittingen en comfort nodig!"
En wij hebben gelijk!
Maar de vraag is alleen:
"Hoe groot is dat minimum mettertijd wel geworden?"
Om zogezegd "gewoon" te leven
blijken wij stilaan steeds méér dingen nodig te hebben,
die wij met steeds minder mensen willen delen.
Zo wordt iets dat oorspronkelijk "goed" was tot een "kwaad".
Van zodra onze zeer terechte materiële zorg
overdreven proporties aanneemt,
verandert die in een hebzucht die steeds méér nodig heeft
en onze allereerste prioriteit wordt.
En dan gaan wij de geestelijke noden
op de tweede plaats zetten of zelfs vergeten:
dankbaarheid voor het leven, eenvoud, mededeelzaamheid.
"De mens leeft niet van brood alleen!" antwoordt Jezus.
Hebben wij de dingen die wij de laatste tijd
aan het verzamelen zijn, echt nodig om gelukkig te zijn?
Zo ja. Goed dan! Laten wij ze maar goed gebruiken.
Zo niet, dan doen wij ze best
zo vlug mogelijk, als ballast, van de hand.
De tweede bekoring gaat over onze relatie met de andere mensen.
Tegenover onze medemensen is macht en eer heel noodzakelijk.
"Macht is toch onontbeerlijk voor de orde in onze maatschappij!"
"Wij hebben toch wel recht
op een minimum aan respect vanwege de anderen zeker!"
En ook dat is weer heel waar.
Alleen blijkt, bij nader toezien,
dat wíj onze macht en eer steeds maar uitgebreid hebben,
zonder te zorgen voor de macht en de eer van de anderen.
Zo wordt weer "iets goeds" tot "een kwaad".
Als wij niet opletten dan verandert ons verlangen naar orde en respect
in een heerszucht en een eerzucht die niemand meer ontziet.
En dan gaan wij vergeten wat nog veel belangrijker is:
elkaar dienen in waardering en solidariteit.
"Gij zult de Heer uw God aanbidden
en geen ander macht dienen!" zegt Jezus.
Wij laten anderen regelmatig onze macht voelen over de anderen.
Wij staan dikwijls op onze eer, want wij hebben zere tenen.
Maar de vraag is telkens: bevordert dit nu
het samen-werken, het samen-leven?
Zo ja. Goed! Dan moeten wij die macht gebruiken.
Zo neen. Laten wij dan maar de tegenovergestelde methode kiezen:
de bescheiden dienstbaarheid.
De derde bekoring is de bekoring van de magie,
waarbij wij God gebruiken voor eigen voordeel.
Het is begrijpelijk dat wij vertrouwen op Gods bescherming
en zeggen "God zal mij helpen!" En wij hebben weer groot gelijk.
Alleen kunnen wij hier zodanig overdrijven
dat ons geloof verglijdt tot een soort magie,
wanneer wij Gods bescherming voor onszelf gaan opeisen:
"Vermits ik zoveel voor U doe, God, moet Gij nu toch wel eens
een spectaculair mirakel doen voor mij!"
Zo wordt zelfs onze geloofsbeleving "een kwaad".
Als wij niet oppassen, dan verandert ons vertrouwen in God
in een opeisen van een Zijn bescherming.
Echt geloof stelt echter nooit eisen aan God,
maar durft zich dagelijks opnieuw aan Hem toevertrouwen.
"Gij zult de Heer uw God nooit uitdagen!"
Elke bekoring
is een uiterst spitsvondige mengeling van goed en kwaad.
Maar de drie fundamentele bekoringen geven ons duidelijk aan
naar welke richting wij neigen, zeker als wij onszelf laten gaan,
als wij moe zijn of zwak, kwetsbaar of eenzaam:
dan neigen wij altijd spontaan in de richting van onze zelfzucht.
Dan verlangen wij teveel en voor onszelf alleen.
Zelfs iets dat goed is, wordt een kwaad,
telkens wanneer het eigenbelang en de zelfverdediging
onze uiteindelijke bedoeling of onze eerste prioriteit worden.
Het kwaad in ons heeft eigenlijk weinig varianten.
Het zijn steeds dezelfde fouten die terugkomen.
Het gevaar bestaat dat wij op de duur minder weerstand bieden
en een compromis sluiten: "Ik zal hiermee moeten leren leven!"
Maar daardoor juist groeit
de innerlijke ontevredenheid en de leegte in ons hart.
Daarom kennen wij geen echte vreugde meer.
Ons door het kwaad laten meeslepen
is eigenlijk een kinderachtige houding
van blijven steken in enkele hebberigheden
en kleine pleziertjes, zoals een verwend kind.
Reageren tegen het kwaad is een moedige stap
naar grotere, innerlijke volwassenheid.
De veertigdagentijd is een tijd van meer helder inzicht
om de verraderlijke tactiek van het kwaad te ontmaskeren
en vooral van vernieuwde, vindingrijke weerbaarheid.
Wie niet weerstaat, wordt misleid en meegesleurd.
En de drie bekoringen van het evangelie
duiden ons ook aan waar wij die strijd zullen moeten leveren:
nl. op het domein van onze fundamentele relaties:
méér met God verbonden leven, méér solidair met elkaar
en authentieker tegenover de dingen die ons gegund worden.
Daarom proberen wij tijdens deze veertigdagentijd.
Tegenover God minder eisen stellen,
maar Hem uitdrukkelijk danken voor het leven, dus bidden.
De dingen die ons ter beschikking staan minder grijpen;
wij gaan ze meer delen. Broederlijk Delen.
Onze medemensen met wie wij omgaan
niet proberen te domineren, overheersen.
Wij gaan integendeel de zwakkeren meer beschermen.
Dat is echt vasten:
meer danken, meer delen en meer dienen dan wij al doen.
En dat vraagt van ons dat wij steeds opnieuw kiezen
en een dagelijkse strijd leveren
tegen onze zelfzucht, vóór de liefde.
En dan zullen wij tijdens de volgende weken wel ontdekken
hoe wij ons leven het best gaan reorganiseren,
met welke prioriteiten en met welke beperkingen.