Vasten (C)

Ik kan me voorstellen dat meerderen van u moeten toegeven: 'Nee zeggen vind ik een van de moeilijkste dingen'. Ik zou me bij zo'n uiting wel eens kunnen aansluiten. Zo vertelde iemand een tijd geleden heel oprecht: 'Jarenlang heb ik aan mezelf voorbij geleefd. Ik raakte helemaal leeg. Om die leegte to vullen, heb ik me nog actiever in het vrijwilligerswerk gestort. En ondertussen maar tegen mezelf zeggen dat mijn wereld to klein is, dat ik meer naar buiten moet treden. Eindeloze gesprekken in mijn binnenste! Een keer zat ik met kennissen to praten. En ik zei tegen mezelf: "Wat moet ik nog meer doen? Ik heb al yoga geprobeerd, en therapie, en van dienst zijn, en meditatie. Hoe kom ik van die onrust af? Ik besef dat ik op de vlucht ben. Ik weet dat er onder mijn onrust iets anders schuilgaat, bijvoorbeeld angst"'.

Tot zover een lieve vrouw, die zich voor velen uitsloofde. En nu naar het evangelie van vandaag. De duivel, wie of wat dat ook is, sleept Jezus van hot naar her: van de woestijnvlakte naar een hoge berg, en van de berg naar het dak van de tempel in Jeruzalem; van laag naar hoog, van de woestijn naar de stad, van honger naar verzadiging, van macht naar vervulling, en van verachting tot aanbidding. Hier wordt volgens dit beeldverhaal alles aan Jezus getoond wat het leven te bieden heeft. En dan, aan het einde, gooit die kwade macht het Jezus als een gebiedende vraag voor de voeten: 'Waar sta je?' In onze kerkelijke traditie spreekt men in dit verband dikwijls over 'bekoringen'. Natuurlijk is dat heus niet slecht. Maar een bekoring is heus niet altijd slecht, en vaak zelfs goed of mooi. Wat er verder van zij, ik koester een voorkeur voor de benaming 'beproeving'. Voor beproeving in de zin van een test.

Er wordt dan gevraagd dat ook ik mijn plaats bepaal: Waar sta ik? Vooral als het leven met je op de loop dreigt to gaan of wanneer ik de greep op mijn leven kwijtraak, de vaste grond onder mijn voeten verlies. Zo'n periode of zulke periodes maakt iedereen wel vroeg of laat mee, denk ik. Wanneer alles wat je houvast gaf, is gaan schuiven. Zoals bij die persoon die vond dat ze noon genoeg deed. Zij vertelt verder: 'Toen zei iemand tegen mij: 'Houd nou 'ns op met vechten tegen jezelf. Laat de onrust de onrust zijn. Benader jezelf en je onrust met mededogen in plaats van met hardheid". Dat heeft in mijn leven een ommekeer gegeven: laat de onrust de onrust zijn. Op de duur heb ik geleerd om ten opzichte van mezelf een andere houding aan te nemen: mildheid, noem het geweldloosheid, mededogen. Niet dat ik nu mijn hoofd laat hangen. Maar ik heb geleerd te zien, te zien wat is"'. Tot zover deze vrouw, die niet goed meer wist welke richting ze uit moest.

Bij Jezus duurt volgens het evangelie zo'n tijd van desoriëntatie veertig dagen. Daar mogen we natuurlijk geen kalender naast leggen. Want het gaat om een symbolische tijd. Veertig dagen, d.w.z.: niet levenslang, maar toch een tijd die lang kan duren. Soms moet ik door een woestijn voordat ik weer houvast heb gevonden - een woestijn van dagen en vooral van nachten. Veertig dagen... Maar dan komt er weer een dag dat je verder kunt, een dag waarop je zegt: 'Het was moeilijk, maar misschien is het toch ergens goed voor geweest'. Achteraf! Als ik er middenin zit, beleef ik het anders, word ik niet meer beheerst door angst. We beseffen: angst kent veel gezichten; de gezichten veranderen, maar de angst blijft.

Soms moeten wij graven tot voorbij onze onrust, voorbij onze drukdoenerigheid, voorbij het zeurende gevoel van schuld en ontoereikendheid, om te ontdekken dat er onder onze onrust angst verborgen ligt. En er is geen andere manier om goed daarmee om te gaan dan die angst te    herkennen en ernstig te nemen, onder ogen te zien, tegen onszelf te zeggen: 'Laat het zo zijn'. Want wij hoeven niet in onze angst te wonen, haar als een jas of mantel om ons heen te slaan. Er is nu in het kerkelijk jaar een periode begonnen die wij aanduiden met 'veertigdagentijd' of ook nog wel met 'vastentijd'.

Als mensen aan die periode denken, komen er bij meerderen haast automatisch beelden op van mezelf opzij zetten, van afstand nemen van comfort, van de goede dingen van het leven. Ik zou echter willen zeggen: Wees 'ns goed voor uzelf, maar dan werkelijk goed. En kijken wij naar ons leven met mildheid, en, als het kan met humor. Laten we dit een tijd zijn niet van ogen dichtknijpen of van wegvluchten van wat is, maar een tijd van anders omgaan met onszelf, met ons leven, met onze tijd, met alles wat ons is of wordt gegeven, anderen incluis. Op een nieuwe manier, d.i. met mededogen, menselijk, mild. Want dan pas vinden wij onszelf terug, weten wij wie wij zijn, wie wij zijn geworden, komt er nieuwe ruimte om onszelf toe te vertrouwen aan een ander, aan de Ander (met een hoofdletter), aan de Bron van ons leven. Dat betekent trouw aan onze levensopdracht, door alle beproevingen heen, juist ook in de kracht van Jezus Messias, die zelf werd beproefd en trouw bleef aan zijn levensroeping.

In een lied zingen wij:

'Wie als een God wil leven hier op aarde,
hij moet de weg van alle zaad
en zo vindt hij genade. (...)

Hij wordt aan zon en regen prijsgegeven.
Het kleinste zaad in weer en wind
moet sterven om te leven. (...)

De mensen moeten sterven voor elkander.
Het kleinste zaad wordt levend brood,
zo voedt de een de ander'.

Gaan wij in de goede richting. God is met ons!