In de woestijn

Van onze hedendaagse cultuur zegt men wel eens dat het een zapcultuur is. Zappen, dat is wat je vanuit je luie zetel doet met de afstandsbediening van de TV: van het ene naar het andere kanaal gaan om te kijken of er iets interessants tussen zit, voor zover je dat zo snel kunt zien. We doen het allemaal wel eens, vooral als we laat thuis komen van een vergadering. Dan is onze vermoeidheid een gedroomd excuus. Meestal houden we er wel een onvoldaan gevoel aan over: alles willen zien is blijkbaar niets zien.

Op zich is het natuurlijk een onschuldig vermaak of tijdverdrijf. Het wordt misschien bedenkelijk als we ook zappend omgaan met onze aankopen, met onze spullen, met ons voedsel. En helemaal erg is het als mensen ook gaan zappen in hun relaties, in hun omgang met anderen.
Om te ontsnappen aan een zappend bestaan zoekt Jezus de woestijn op.
De woestijn is een plek waar geen mensen wonen, waar niets te koop is en waar slechts mondjesmaat voedsel te vinden is. De woestijn is ook de plaats waar je jezelf tegenkomt. En in jezelf zit zowel het beste als het slechtste. Zowel de engel als de duivel, om het in bijbelse taal te zeggen. Het is dus heel normaal dat Jezus in de woestijn ook de duivel tegenkomt.

Duivel komt van het Griekse woord diabolos en betekent: hij die verdeelt, die uiteenrukt. Een tweedrachtzaaier, iemand die de mens doet twijfelen door wat wij "bekoringen" noemen. En die bekoringen hoeven echt niet aan te zetten tot grote zonden of misdaden. Jezus wordt in de woestijn niet bekoord om te gaan stelen of moorden, om andere mensen kwaad te doen.

Nee, het zijn eerder bekoringen die de mens weg houden van zijn ware roeping, van zijn bestemming. Bekoringen, waar wij allemaal wel eens mee te maken krijgen, als we eerlijk zijn. Even nagaan: de eerste bekoring bestaat erin van stenen brood te maken. Dat staat niet alleen voor de drang naar bezit en consumptie. Het is ook de bekoring om God in dienst te willen nemen voor je eigen nood en behoefte.
De tweede bekoring heeft te maken met het bezitten en uitoefenen van macht. Jezus wordt er door de duivel toe aangezet God naar zijn hand te zetten om over de koninkrijken van de wereld te heersen. De derde bekoring is de meest spectaculaire: van God verwachten dat Hij sensationele mirakels zal doen die succes opleveren voor jezelf.

Bezit, consumptie, macht en roem: we verlangen en streven er allemaal wel eens naar. En het wil ook niet zeggen dat alle bezit en alle macht verkeerd is. We mogen ons best iets verwerven, er moeten mensen zijn die macht uitoefenen en beroemdheid heeft wel degelijk bestaansrecht. Alleen mag het ons niet verblinden en de woestijn of de vasten kan ons dat duidelijk maken.
Om te zien hoe dat concreet zou kunnen, gaan we even terug naar de eerste lezing. Mozes staat met zijn groep vluchtelingen op de berg Nebo. Na jaren van zwerven door de woestijn zien ze eindelijk een vlakte voor zich, met bronnen en stroompjes. Eindelijk en Mozes houdt zijn laatste preek. Hij zegt tot zijn volk dat dit het beloofde land is, dat God hen heeft beloofd, het land van melk en honing. Maar hij geeft hen ook meteen een opdracht. Bij de eerste oogst moeten zij in een ritueel de eerste vruchten offeren. En Mozes drukt hen op het hart dat ze daarbij drie dingen moeten doen: zich herinneren, buigen en delen.

Eerst en vooral zich herinneren. "Onze voorouders" zegt Mozes, "waren zwervers, mensen zonder land, maar God bracht ons bijeen. Hij verloste ons uit de slavenkampen van Egypte en hielp ons door de woestijn te trekken naar dit beloofde land".
Die woorden van Mozes moeten zijn volk niet alleen aanzetten tot dankbaarheid. Het moet hen ook bewust maken en houden van het feit dat ze zwervers zijn en dus altijd onderweg.
Het tweede wat ze moeten doen is de mooiste vruchten van de eerste oogst in een mand leggen. En daarbij buigen en die gaven voor het altaar van God neerzetten. Een mens die buigt maakt zich klein. En erkent eigenlijk dat in die mand met vruchten misschien wel het resultaat ligt van zijn werk op het veld, maar dat hij ook de zon en de regen van God niet kan missen.
Buigen is een teken van dankbaarheid en nederigheid.
En, het viel nog net buiten de lezing vandaag, maar het staat er wel degelijk. Mozes draagt zijn volk ook op die vruchten te delen. Ze moeten een feestmaal houden, samen met de levieten en de vreemdelingen. En dat waren nu net twee groepen die - om zeer uiteenlopende redenen - aangewezen waren op bedelen en moesten leven van wat anderen met hen wilden delen.

Zich herinneren, buigen en delen.
Het is nog altijd onze opgave in deze vastentijd. Wij zijn misschien geen volk van zwervers, maar we zijn ook wel altijd onderweg. In de zin dat we nooit mogen denken dat we er zijn, dat we ons einddoel hebben bereikt.
Het is goed ons te herinneren waar we vandaan komen. Het maakt ons nederig en doet ons buigen. Het kan ons ook aanzetten de aarde niet te beschouwen als ons bezit, waar we mee kunnen doen wat we willen. Het moet ons dankbaar en respectvol maken tegenover die aarde en haar vruchten die ons gegeven zijn. Het moet ons openstellen voor het Pachamama en het goede leven, zoals de mensen uit de Andes het zien en beleven.

Ons herinneren, buigen en ook delen. Broederlijk delen, zoals het heet in de veertigdagentijd. Het riskeert bijna een vastgeroeste gewoonte te worden, waarbij de betekenis dreigt verloren te gaan. Maar de boodschap van Mozes van zo lang geleden kan er ons opnieuw bewust van maken.