Zij verheerlijkten God (2010)

Als kind hebben we meer naar de hemel gekeken dan nu.  De hemel, daarmee bedoelen we het firmament, het uitspansel.  Er was geen TV.  De mensen zaten 's avonds nu en dan buiten te kijken naar de sterrenhemel.  Luchtvervuiling maakt deze nu minder zichtbaar.  Met hun sterrenkijkers verkennen wetenschappers het heelal, waarin de aarde een uitzonderlijke planeet is.  Astronauten verlaten onze aarde en doorklieven de dampkring. 

 Op Hemelvaart vraagt de liturgie dat wij even naar boven kijken.  Onze blik moet gevestigd blijven op het eeuwige en de definitieve toekomst, maar ondertussen leven wij in dit hier nu-maals en hebben hier onze levenstaak. 

 Op Hemelvaart is Jezus naar zijn Vader gegaan.  Als deelgenoot aan onze menselijke conditie verankert hij deze nu bij zijn Vader.  Lucas, die op deze feestdag twee keer aan het woord komt, zegt niet hoe dit gebeurde.  Een wolk onttrekt Jezus aan onze blik.  In de bijbel is de wolk een teken van Gods presentie (Ex. 13,22;9,16;24,16).  De kracht van de Allerhoogste overschaduwde Maria (Lc. 1,35).  De wolk overschaduwde het driemanschap op de berg bij de gedaanteverandering en uit die wolk klonk de stem die sprak: "Zie mijn zoon, de welbeminde" (Lc. 9,34-36).  De wolk onttrekt Jezus aan de blik van zijn leerlingen.  Lucas geeft daarmee aan dat Jezus bij de Vader is opgenomen (Hnd. 1,9).  Hoe spreken we over het samengaan van God en mens?  De woorden over de drie verdiepingen van onderwereld, aarde en hemel schieten te kort.  

"Jezus kwam van bij God en keert terug naar God.  Daar is  Hij immers thuis, zetelend aan de rechterhand van de Vader.  Hij is ten hemel opgestegen zo zegt het symbolum van de apostelen.  En vandaar zal Hij ook wederkomen.  Zijn al die woorden wel terecht en juist: opstijgen, zetelen, wederkomen, hoog verheffen, boven ?  Zoiets kan toch niet worden gezegd in de wereld van God: die kent toch geen klimmen, zetelen en afdalen, geen boven en onder.  Hij staat ver boven tijd en ruimte.  Waarom dan zo tijd- en ruimtelijk spreken over God?  Bij God is er toch geen boven en onder, geen links en geen rechts.  

Hemelvaart is geen vaart en geen opstijgen als gold het een hete luchtballon. Die woorden roepen gewoon beeldend op dat de Verrezen Jezus weer thuiskomt in de wereld van zijn Vader, die Hij trouwens - ook al werd Hij mens - nooit had verlaten.  Dat Hij zetelt aan Gods rechterhand betekent dat Hij werkelijk God is, zoals de Vader en de Geest.  

Zo blijkt hoe onaf en oneigenlijk ons spreken over God wel is. We zeggen God uit in mensentaal en die is niet op Gods maat gemaakt. Ze past niet bij Hem. Het is als met een pret-à-porter kledingstuk dat we aantrekken: het zit nooit perfect zoals een maatpak. Onze menselijke woorden zijn nooit adequaat om goed en precies over God te spreken.  We behelpen ons dan met beeldspraak.  Die is suggestief, maar ze mist precisie.  Beelden wijzen wel in de juiste richting waar de waarheid te vinden is.  Maar ze zijn ontoereikend om die rationeel en helemaal te vatten. Beelden zijn wegwijzers. Die tonen waar we heen moeten, maar ze gaan zelf niet mee tot wat ze aanwijzen.

Dat geldt zelfs voor het hele Credo: het is een belijdenis, niet een precieze, theologisch uitgebalanceerde tekst. Maar we kunnen niet anders: we zijn verplicht ons soms beeldend en suggestief uit te drukken over wie en wat God is, over wat Hij zegt en doet. De kennis die dit spreken ons geeft, is benaderend en partieel. Maar onze liefde is niet beperkt tot de maat van ons denken" (De Schone Belijdenis 56-58). 

De tenhemelopname van Jezus zet een definitief punt aan het verblijf van Jezus op aarde.  Toch is het geen einde.  De Handelingen geven aan dat Jezus met zijn Geest verder werkt door zijn getuigen en in zijn volgelingen.  Jezus vertrekt al zegenend.  Hij zal zegenend onder ons blijven.  Nu overtuigd van de goddelijke heerlijkheid van Jezus, knielen zijn leerlingen neer in aanbidding.  

"Hij die van buiten in de wereld kwam, gaat met hen naar 'buiten de stad'; hij die uit den hoge kwam, keert terug naar boven, naar zijn vader.  Dat erkennen de leerlingen in hun knielen en in hun vreugde.  En omdat het nieuwe dat hij bracht, tegelijkertijd in de Joodse geschiedenis geworteld is, gaan zij voortdurend naar de tempel en 'prezen God'" (H. Servotte, Lucas literair, p. 138). 

De leerlingen zijn naar Jeruzalem teruggekeerd om daar te wachten op de komst van de beloofde 'kracht van boven.'  Jeruzalem is het centrum.  God heeft er bij zijn volk geleefd in de ark, Jezus is er gestorven en opgestaan als de nieuwe Adam.  "Het past dat vanuit dat centrum de boodschap van het nieuwe leven aan de hele wereld zou worden gebracht."  "Het is een boodschap van bevrijding uit de heerschappij van het kwaad, een openbaring van God die we nu kennen als onze vader - een licht , een vuur, een leven als kinderen Gods, de vergeving van zonden" (H. Servotte, Ibid. p. 13). 

De laatste bladzijde van het Lucasevangelie is vervuld van vreugde.  "Vreugde is bij Lucas het karakteristieke antwoord van de mens op Gods heilshandelen" (A. Denaux, Lucas'verhaal van Jezus' verrijzenis, Collationes, 2004, n° 1).  Met de apostelen en een groep vrienden van Jezus gaan we mee naar Jeruzalem om tijdens de pinksternoveen te bidden voor de komst van de Geest.