Waar vindt de mens geborgenheid?

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Schijnbaar voelen de mensen zich goed thuis op deze wereld. Wij maken pret, wij feesten, zolang het ons goed gaat, maar als je dan ziek wordt, geconfronteerd wordt met een sterfgeval, of oud wordt, dan zegt je dat allemaal niets meer. Dan word je je er bitter van bewust dat wij eigenlijk vreemdelingen zijn op deze wereld, dat wij de pinnen van onze levenstent niet te vast in deze aarde mogen slaan, want onze tent zal neergehaald worden. Wij hebben hier geen vaste woonplaats. Hoe meer kennis wij opdoen van het heelal, des te kleiner wordt de mens. De aarde is in het heelal niet veel meer dan een ruimtependel, die nog niet eens voldoende brandstof bij zich heeft om te kunnen bestaan. Te midden van die ontelbare massa spiraalnevels en melkwegen is de mens niet veel meer dan een stofdeeltje aan de rand van het universum. En God zwijgt meer dan ooit. Het schijnt dat de wereld met haar spanningen en problemen aan haar lot wordt overgelaten. Waar vindt de mens veiligheid en geborgenheid?

In het jaar 620 stuurde de paus van Rome de eerste missionarissen naar Engeland. Daar heerste in die tijd koning Edwin, die tegenover de nieuwe godsdienst een zeer voorzichtige houding aannam. Hij riep al zijn vazallen bijeen om hun advies te vragen. Nu sprak een oude man, die om zijn wijsheid bekend stond: ‘Sire, als u ‘s avonds met uw vazallen rond het warme haardvuur zit, kan het gebeuren dat plotseling een vogel door het raam de kamer binnenvliegt, hij cirkelt een moment rond en verdwijnt dan weer door een ander raam in de duisternis. Zo is het, dunkt me, ook met ons mensen. Niemand weet waar wij vandaan komen, wij dwalen enkele ogenblikken rond op deze wereld om dan weer in de duisternis van de dood te verdwijnen. Als de nieuwe leer ons enige zekerheid kan geven over het vanwaar en waarheen van de mens, dan moeten wij die zeker aanvaarden.'

Wij realiseren ons veel te weinig dat wij zijn zoals die kleine vogel. Wij komen uit het duister van het naamloze niets, verblijven een ogenblik op deze wereld, om dan weer te verdwijnen door de deur van de dood, in de duisternis, zonder ooit terug te komen. Waarheen gaan we dan?

In onze tijd houden veel mensen zich bezig met deze vraag, zij wonen spiritistische séances bij, zij zoeken in boeken over reïncarnatie. En toch, een bevredigend antwoord over het hierna-maals kan niemand ons geven, tenzij Jezus, die zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven'. Een opmerkelijke bewering. Wie anders kan dat zeggen? En omdat Hij het leven zelf is, kan Hij ook tot zijn leerlingen zeggen: ‘Laat uw hart niet verontrust worden. Ik ga u een plaats bereiden, dan kom Ik terug, om u bij Mij op te nemen.' Deze uitspraak vormt de kern van het feest van ‘s Heren Hemelvaart. Zij richt onze ogen naar Jezus, die ons de weg getoond heeft en die voor ons de deur wil zijn, niet naar de zinloze duisternis, maar naar Gods woning.

Zeker, Jezus heeft ons geen plattegrond getekend van het hemels Jeruzalem. Hij heeft ons nooit gezegd, hoe de hemel er uitziet, wij zouden het eenvoudig niet kunnen begrijpen. Paulus zegt met recht: ‘Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben'. Wij ervaren het allemaal: ons hart is geschapen voor het eeuwige, voor het eindeloze. Wij moeten ons bij de dood laten verrassen door God, Hij alleen kan onze vervulling zijn.

Vreemd dat wij tegenwoordig zo weinig spreken over de hemel. Misschien is het wel goed, want wij hebben in het verleden misschien wel misbruik gemaakt van de hemel, om mensen te laten berusten in hun armoede, om goedkoop te troosten als wij niets anders meer wisten te zeggen dan...: later in de hemel.

Maar eigenlijk is het toch ook weer doodjammer, dat wij niet meer over de hemel durven spreken, want zo worden alle deuren van ons leven dichtgeslagen en is onze horizon zo beperkt als onze neus en ons leven lang is. Jezus is in elk geval niet zo bang om over de hemel te spreken. Hij zegt heel duidelijk: Je bent niet bestemd voor de dood, maar voor het volle leven. De eerste christenen hadden de bijnaam ‘mensen van de weg'; die naam geldt ook voor ons, wij zijn nog altijd onderweg, maar niet als zwervers die niet weten waarheen, maar als pelgrims op weg naar onze eeuwige woonplaats bij God.