Uitzwaaien (1998)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

GENADELOOS DEFINITIEF


De apostelen hebben het nakijken. Vlak na Jezus' dood hadden ze af en toe het sterke gevoel gehad dat hij niet helemaal weg was. Ze voelden zijn aanwezigheid. Af en toe dook hij op, onverwacht. Maar er kwam een moment dat ze zich realiseerden dat hij definitief verdwenen was.
Ik hoor dat vaak van mensen die een onmisbare medemens verloren hebben. Direct na de uitvaart is er veel toe doen. Er zijn onverwacht ontroerende brieven met troostende woorden. Mensen komen op bezoek en houden je dierbare herinneringen voor, leuke verhalen van weleer. Er is veel te regelen. Maar stilaan verstomt de belangstelling. Je moet op eigen kracht verder. Ineens wordt al te duidelijk dat je de ergste pijn van leven nooit met die ene lieve mens delen kunt. De ander is weg. Echt weg, voor altijd. Dat begint met vlagen door te dringen. Het afscheid is voorgoed. De dood is definitief, en dat is elke ochtend opnieuw een verbijsterende ontdekking.

EN TOCH

Zo verging het de leerlingen. Een tijdlang werden ze op het spoor van Jezus gehouden. Hij was de levende in hun midden. Hij gaf richting aan hun beslissingen en aan hun hoop, maar onvermijdelijk kwam het moment waarop het ongehoorde tot hen doordrong: Jezus is niet meer hier. Hij is echt niet meer hier. Hij zal hier niet meer voor ons zijn. De tijd op dit ondermaanse zal voortaan verstrijken zonder dat hij zijn commentaar geeft, zonder dat hij lijdt of geniet, zonder dat hij zijn zorgen om ons tot uitdrukking brengt. Het is echt uit. Dat hoor ik in het verhaal van hemelvaart. "Mannen van Galilea, wat staart ge naar de hemel...?" Het ergste van de dood van een dierbare is dat ze zo genadeloos definitief is.
Het bijzondere van het hemelvaartverhaal is dat het wel dat definitieve onder woorden brengt, maar toch met een duidelijke troost. Jezus mag dan wel voorgoed uit hun leven verdwenen zijn, hij heeft hun wel een opdracht gegeven. En in het uitvoeren van die opdracht zal hij bij hen zijn.

DE DOOD IN DE WOESTIJN

De joodse auteur Elie Wiesel beschrijft een klassieke casus uit de rabbijns Talmud. Twee vrienden lopen in de woestijn. Het blijkt dat er niet genoeg water in de kruik is voor beiden. Wat te doen? Samen delen tot de laatste druppel en dan samen sterven? Die romantisch opvatting -zo zegt hij- sprak hem als jongeling het meeste aan. Of moet er één overleven en één sterven, en wie dan? Het antwoord van de Talud klonk hardvochtig. Beter dat één overleeft dan dat beiden sterven, en overleven moet degene die eigenaar van de waterkruik is.
"Met dat rationele antwoord heb ik nooit vrede gevonden", schrijft Elie Wiesel. "Totdat ik vorig jaar een goede vriend verloor. Ik pijnigde mijn rechtvaardigheidsgevoel met de vraag: waarom hij en ik niet...? Ik kwam tot dezelfde ontdekking als die ene vriend in de woestijn. Zijn kameraad was gestorven. Daar kun je je schuldig aan voelen. Waarom mag jij doorleven? Maar die schuld legt een taak op je schouder. Voortaan zul jij de wereld bekijken, mede door de ogen van je gestorven vriend. De krant zul je lezen, de eerste aardbeien proeven, de sneeuwvlokken in december en de bloesem in april, mede door de ogen van die ene ander."

LATEN VOORTBESTAAN

De leerlingen hebben Jezus verloren. Definitief. Dat is intussen maar al te duidelijk. Maar ze zullen voortaan naar de wereld kijken zoals hij heeft gedaan. Ze zullen de mensen waarderen zoals hij deed. Ze zullen schuld vergeven en zieken tegemoet treden, net als hij. En naar de hemel staarden ze niet meer.

PAPPA UITZWAAIEN

Lieve kinderen. Marieke vond het heel erg als pappa weer op reis moest. Pappa bleef soms heel veel dagen weg. Dan stond ze buiten aan mamma's hand en dan begon ze te zwaaien. Heel lang bleef ze zwaaien, totdat de auto niet meer te zien was, en dan zwaaide ze nog steeds, want zij zag de auto niet, maar pappa kon in de achteruitkijkspiegel haar misschien wel zien, want ze wist dat pappa meer kon zien dan zij. "Zo", zei mamma dan, "nu moet je maar eens ophouden, want pappa is al voorbij Ten Eschen en hij moet zijn gedachte bij het verkeer houden." Dat was waar! Marieke draaide zich plotseling om en liep naar haar kamertje. Daar begon ze haar kleren op te ruimen. Marieke ruimde nooit haar kleren op, maar pappa had gezegd: "Als ik weg ben, dan ruim je je kleren maar op...!" Mamma moest er een beetje om lachen. Toen Marieke haar kleren opruimde was het net alsof pappa weer tuis was. Zo hadden de leerlingen Jezus uitgezwaaid. En toen ze eindelijk wisten dat Hij er echt niet meer was, toen begonnen ze te praten en te doen zoals Hij had gedaan. En dat was ook goed zo!