Dromen van een vernieuwde, liefdevolle Kerk!

5e zondag van de Paastijd Cyclus C 2013 Hand. 14, 21-27

Joh. 13, 31-33a.34-35


Dromen van een vernieuwde, liefdevolle Kerk!

 

Beste vrienden!

Eigenlijk had ik U hier een Liefdesverhaal willen vertellen; een verhaal van Liefde en hulpvaardigheid, van saamhorigheidsgevoel en van het iets betekenen voor mekaar. Niet zoals in de goedkope liefdesromannetjes of in de soapseries op de televisie. Neen, een echt liefdesverhaal, het liefdesverhaal van onze eigen Kerk. Maar, zoals het in het leven zo dikwijls gaat, loopt ook dat verhaal niet over rozen.
Als we de geschiedenis van dat reeds gedurende bijna tweeduizend jaar lopende Liefdesfeuilleton ophalen, dan vinden we daarin een hele reeks kleinere en ook grotere romances; episoden die, op een doorgaans toch tamelijk duistere achtergrond, bijzonder opvallen. Het zijn echte lichtpunten, maar we mogen niet vergeten dat die lichtpunten meestal de uitzonderingen zijn die de regel bevestigen. Het
helpt ook niet als we de betreffend personages en hun prestaties nog eens extra in de verf zetten en benadrukken. Als iemand ooit op het idee moest komen om een encyclopedie van de liefdeloosheid te schrijven, dan zou, naast vele andere, ook de geschiedenis van onze Kerk daar zeker voldoende stof en gelegenheid voor kunnen leveren. En dan moeten niet eens alle duistere hoofdstukken uit die geschiedenis vernoemen: de bekeringen met het zwaard, de folterpraktijken tijdens de inquisitie en dan ook nog de duistere praktijken van enkele pausen die het eigenlijk niet waard zijn om hier met naam te worden genoemd.
Beste vrienden, ik weet dat wat ik u hier vertel niet zeer opbouwend is, maar het is een realiteit die we onder ogen moeten zien en die des te zwaarder weegt als we ze op de achtergrond van het evangelie bekijken. Jezus heeft ons toch gezegd: “Aan jullie liefde voor mekaar zal men herkennen dat jullie mijn volgelingen zijn. Maar wat zien we in werkelijkheid?
V
eel meer liefdeloosheid dan genegenheid. En daarbij moet ik U niet eens vertellen dat in deze tijd iedereen zeer goed en kritisch in het oog houdt of wij als Kerk ook werkelijk zelf voorleven wat we verkondigen . En dan komt het dikwijls terecht voor, dat anderen ons erop wijzen dat dat niet altijd het geval is. Als sommigen misschien zouden denken dat dat alleen maar gaat over duistere gebeurtenissen uit het verleden, en dat wij daar vandaag toch niet meer verantwoordelijk voor zijn, dan vergissen zij zich daarin. Zeker, we verspreiden de boodschap van Gods liefde niet meer met het zwaard. Maar ook vandaag lopen we nog niet direct over van genegenheid, van hartelijkheid of van liefde voor de anderen. Ook wij geestelijken zijn dikwijls niet open en luisterbereid genoeg voor mensen die onder problemen gebukt gaan; veel christelijke gemeenschappen zijn anonieme grootheden geworden die bij anderen niet erg uitnodigend overkomen; gemeenschappen zonder uitstraling, zonder flair. Kunnen wij de gemeenschap in onze parochies, commissies en raden nog als Liefdesgemeenschappen aanprijzen zonder rood te worden? Of als we even naar de politiek van elke dag kijken: hoe kunnen we sommige uitspraken van onze kerkelijke overheid nog als liefdevol voor anders geaarde medemensen verkopen? En wat mij persoonlijk betreft zou ik ook liefst niet weten in welke richting de weegschaal van naastenliefde en liefdeloosheid voor mij zou doorslaan.

 

Maar, beste vrienden, versta me niet verkeerd: het beeld dat hier werd geschetst ligt uiteraard niet alleen aan sommige Pausen en Bisschoppen en het kan ook niet uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk aan de Ambtskerk worden toegeschreven. Neen, als we spreken over het gebrek aan pratikerende liefde in de navolging van Christus, dan moeten wij allemaal, zoals we hier zitten, de hand in onze boezem steken. Dus is ons verhaal toch eerder een encyclopedie van liefdeloosheid in plaats van een echt liefdes verhaal!! Dat kan toch niet zijn! Dat is toch onverdraaglijk! Waarom loop ik er dan niet van weg? Waarom blijf ik er bij?
Omdat ik nog altijd een droom heb en er, diep in mezelf van overtuigd ben, dat alles wat er in de Kerk aan goede voornemens aanwezig is, dat alles wat er in de Kerk ook aan goede dingen is gebeurd, en ook vandaag nog gebeurt, dat dat alles zich nog verder zal ontplooien en dat die gemeenschap van liefde die Jezus Christus ons heeft voorspeld er ook werkelijk zal komen. Misschien is dat maar kleine dingen waarneembaar, maar het is ook op grotere schaal niet uitgesloten. Ik geloof vast aan die droom en ik geloof ook dat hij reëel is en geen wishful thinking. Vele mensen hebben ook nu nog die zelfde droom en wij bevinden ons daarbij in het goede gezelschap de apostel Johannes, de auteur van de Apocalypse, het boek waaruit we daarnet hebben horen voorlezen. Johannes ziet in zijn droom een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde. Hij ziet het nieuwe Jeruzalem dat voor hem het beeld is van de vernieuwde Kerk. Een kerk waarin wij ons allemaal graag zien zoals ook God ons graag ziet. Een visie waarvan Jezus ons heeft beloofd dat ze realiteit zal worden. Of dat nu nog in deze wereld of transcendent zal gebeuren, dat is voor mij minder belangrijk.

Dat die visie realiteit wordt, dat is voor mij belangrijk en dat motiveert me om me ook verder in te zetten opdat die Liefde in onze Kerk gepratikeerd, voorgeleefd, en ook door anderen ervaren zou worden. Wij zijn Kerk onderweg – we zijn nog geen volmaakte gemeenschap naar Jezus visie. Maar ondanks al onze fouten en zwakke momenten behoren we nu reeds tot die Kerk van Jezus Christus en worden we ertoe uitgenodigd om zijn weg met Hem in volle vertrouwen te gaan.

Daarom heb ik er ook geen probleem mee om in het Credo te belijden: Ik geloof in de Kerk. want ik zie haar als een Kerk die niet alleen op weg is, maar die ook werkelijk haar doel zal bereiken. Ik geloof in haar als iets dat ontstaat als een nieuwe gemeenschap, waar niemand uitgesloten wordt en die iedereen in haar liefde opneemt. Een gemeenschap waarin de mensen voorleven wat de heilige Augustinus als volgt onder woorden heeft gebracht: “Bemin, en doe wat je wil”. Wie echt bemint kan niets verkeerd doen en heeft ook geen resem geboden en verboden nodig. Echte liefde doet instinctmatig altijd dat waar het in de concrete situatie op aankomt.

Omdat ik zelf van die Liefde overtuigd ben, spreek ik in het Credo ook niet van de christelijke, maar van de Katholieke Kerk: Katholiek niet in de betekenis van een religie, maar in de oorspronkelijke betekenis van “alomvattend”. In die Kerk van Christus kan ik geloven, omdat de soms verschrikkelijke realiteit van onze geschiedenis toch veel zwakker is dan de kracht die uitgaat van het visioen dat door de mensen reeds sinds dat eerste paasfeest wordt gedroomd. En wij weten toch allemaal: Als iemand alleen droomt is het maar een droom. Maar als vele mensen samen dezelfde droom hebben en ook meewerken aan de verwezenlijking ervan, dan is dat het begin van een nieuwe werkelijkheid, de vernieuwde werkelijkheid van een liefdevolle Kerk. Amen