Ik geef ze eeuwig leven (Joh. 10,28)

In tegenstelling met het verhaal bij de synoptici trekt Jezus in het evangelie van Johannes enkele keren naar Jeruzalem. Zijn verblijf aldaar houdt verband met joodse feesten. Als gelovige jood neemt Jezus deel aan de feesten van zijn volk. Bij elk feest ontdekken de lezers van Johannes eigen trekken van Jezus. Hij is er herhaaldelijk met de joden in discussie. Het joods opvoedingssysteem bevordert de discussie. Discussie mag. We denken na, ontdekken in de discussie andere aspecten van een kwestie. Wanneer iets geponeerd wordt, kunnen we opwerpen: “Ja, maar. Fundeer je standpunt beter en verhelder het.”

Jezus was in Jeruzalem op het Loofhuttenfeest. Daar had hij uitspraken gedaan die de toehoorders schokten: “Laat wie dorst heeft bij mij komen” (Joh. 7,37). Hij had daar gezegd: “Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft het licht dat leven geeft” (Joh. 8,12). Hij had toen een aantal joden geërgerd door te zeggen dat hij de Vader kende en dat hij er was nog voordat Abraham er was (Joh. 8, 58). Joden waren en zijn terecht gevoelig voor alles wat de eenheid en de enigheid van God raakt.

Jezus bevindt zich opnieuw in de tempel op het feest van de Tempelwijding. Dit is een herdenkingsfeest. Het heet Chanoeka en is sinds de Maccabeeën verbonden met de achtarmige kandelaar. In de zuilengang van de tempel voeren joden opnieuw een discussie met Jezus. Ze willen zijn identiteit kennen. “Het is winter en de harten zijn vervroren” (Augustinus).

Opnieuw bevestigt Jezus zijn verbondenheid met de Vader. “De Vader en ik zijn één” (Joh. 10,30). Jezus keert terug naar zijn eerdere uitspraken over de Goede Herder (Joh. 10,1-18). Daarin zei hij dat hij zowel de deur is van de schaapstal als de herder van de schapen. Wanneer in de Islam mensen een Ulema, een grote Wijze, ontmoeten, begroeten ze hem als bab, dit is ’Deur’. Een ulema is iemand die binnenleidt in het mysterie van God. Door hem komt men bij God. (G. Ravasi, Das Johannesevangelium, p. 90). Jezus is degene die binnenleidt en die zelf het ‘leven’ is. Het eeuwig leven wordt ons nu al geschonken vanuit onze verbondenheid met hem.

Het beeld van de Herder was voor Joden begrijpelijk. De profeten hadden Jahweh voorgesteld als de Herder die zijn volk leidt. De joden bidden de bij velen zo geliefde psalm 23: “God is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets” (ps. 23,1). De joden zagen dagelijks herders aan het werk en wisten dat er zorgzame herders zijn en andere, die hun taak slordig vervullen. Ze wisten dat koningen herders waren voor hun volk, maar de geschiedenis had hun geleerd dat niet elke koning een goede herder was. Ze hadden evenzeer ervaren dat onder de godsdienstige autoriteiten er goede en slechte herders waren (Ez. 34). Israël mag beseffen dat “Ik, de Heer, hun God ben en dat zij, het volk van Israël, mijn volk zijn. Jullie zijn mijn schapen, de schapen die ik weid; jullie zijn mensen en ik ben jullie God” (Ez. 34,31). De benaming van schapen en lammeren ligt moeilijk. Jezus wordt nochtans zelf als een Lam voorgesteld. Hij is het Lam dat de schapen weidt en naar de waterbronnen voert (Apoc. 7,17).

Jezus, gezalfd door de Geest als Goede Herder, is begaan met het welzijn van de zijnen. Alle christenen zijn gezalfd opdat het chrisma elkeen zou bereiken. De priesters onder hen zijn niet gezalfd tot eigen voordeel, zo zei paus Franciscus tijdens de chrismamis op Witte Donderdag. “De kostbare olie op het hoofd van Aaron is niet alleen een reukwaar over zijn persoon, maar ze doordringt gans de ruimte tot aan de rand, tot in de periferie. De Heer zegt het duidelijk: zijn zalving is geen parfum voor onszelf alleen en nog minder om ze in een ampul te bewaren, want daarin wordt de olie met de tijd ranzig en geraakt het hart bitter.” “De Heer verlangt niet van zijn priesters dat ze manager zijn, maar herder met de ‘geur van de schapen.’ Herders, zodat men hun aanwezigheid ruikt, herders te midden van hun kudde en mensenvisser” (Paus Franciscus, 28 maart 2013).

Welk beeld zou Jezus nu gebruiken om in de huidige cultuur te zeggen hoe hij met zijn gelovigen verbonden is? Misschien zou hij zich ‘de zachte stem’ noemen die allen aantrekt. Hij is de muzikant of orkestleider die samenbrengt en verenigt. Zoeken maar. Het oudste Christusbeeld komt uit de catacomben. Dit beeld van Jezus met het schaapje op de rug spreekt nog aan. Het hangt misschien op deze zondag van de Goede Herder in de kerk. Op veel plaatsen hangt deze dag of het ganse jaar door een icoon van de vriendschap. Bij het Laatste Avondmaal heeft Jezus zijn leerlingen vrienden genoemd. “Vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb” (Joh. 15,15).

De icoon van de vriendschap is een oude koptische icoon. Ze werd in de 19° eeuw gevonden in de ruïne van een koptisch klooster in Bauein, in de Egyptische woestijn. Ze zou uit de zesde of zevende eeuw dateren. Voor een bezinning bij deze icoon zie: www.bijbelcitaat.be (Leesstip van de dag; 15. 11. 2011) De persoon aan de rechterhand van Jezus is Menas, de abt van het klooster. Deze monnik staat symbool voor ieder van ons. De twee figuren op de icoon staan dicht bij elkaar. Jezus en zijn vriend zijn onzichtbaar voor elkaar. Ze kijken niet naar elkaar. Het is geen ‘sentimentele’ relatie. Jezus kijkt zijn vriend niet aan, maar gaat aan zijn zijde. Hij vergezelt ons. Hij dringt zijn aanwezigheid niet op. Zijn aanwezigheid is bescheiden en onvoorwaardelijk. Deze hangt niet af van het feit of we hem al of niet voelen. Jezus heeft een rijk versierd boek in zijn linkerarm. Het lijkt op een evangelieboek dat wordt gebruikt in de liturgie. Jezus brengt de Blijde Boodschap van het Evangelie. Jezus is een vriend, maar als vriend blijft hij onze "Leraar" en "Heer".

 “Mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze” (Joh, 10, 27-30). Jezus kent ons beter dan wij onszelf kennen. Hij kent ons door en door en bemint elkeen van ons. Wij van onze kant kunnen dag aan dag groeien in de kennis van en in onze liefde tot Jezus. Dit gebeurt door hem te ontmoeten in de Schrift. Onze kennis groeit wanneer we mensen zien handelen en leven vanuit hun geloof en vertrouwen in Jezus. Hij komt ons dichterbij wanneer we bidden en hem ontmoeten in de sacramenten. We blijven in zijn liefde als we ons aan zijn geboden houden. Zijn grootste gebod is dat wij elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft liefgehad.