Allemaal herders

Gisteren werden in onze parochie 36 meisjes en jongens gevormd.
Eigenlijk was het voorzien dat dat vandaag zou gebeuren in de Mis van halftwaalf. Maar ja, vandaag wordt Linkeroever overspoeld door tienduizenden sportievelingen, we kunnen niet door de tunnels en daarom werd voor het Vormsel een andere datum aangevraagd en verkregen.
De vormselviering is dus moeten wijken voor een sportgebeuren.
De tijd is immers lang voorbij dat de kerk de agenda bepaalde en dat de maatschappij zich daaraan moest aanpassen.
Nu is het omgekeerd. Moeten wij daarom treuren of ongelukkig zijn? Ik denk het niet. Het is nu eenmaal zo.

Wat ik wel jammer vind is dat daardoor de vormselviering werd losgekoppeld van de parochievieringen. En volgende week is er dan de eerste communie, ook al op een zaterdagvoormiddag. Dus op een moment dat er normaal geen viering is in de parochie. Op die manier komen eerste communie en vormsel een beetje los te staan van de gemeenschap.
En eigenlijk is één van de bedoelingen juist dat we op die dagen die kinderen zouden opnemen in onze gemeenschap.

Gelukkig hebben we een deel van hun voorbereiding kunnen meemaken.
De vormelingen hebben een paar keer mee een viering verzorgd. Ze zaten dan vooraan in de kerk, ze kwamen aan bod bij de lezingen, bij liederen, bij de offergang. De eerste communicanten hadden meestal eerst catechese en kwamen pas binnen na de geloofsbelijdenis om de Mis mee te volgen.
Ze dekten mee de tafel en zongen een lied op het einde.

De reactie van de wekelijkse of traditionele kerkgangers hierop was nogal uiteenlopend.
Wie één of meerdere van de kinderen kende, vond het meestal wel sympathiek. Sommigen konden genieten van het jeugdig enthousiasme en de verfrissende aanpak.
Maar anderen stoorden zich aan de sfeer die in hun ogen te los was, te weinig gedisciplineerd. De kinderen zaten niet stil genoeg, ze wisten blijkbaar niet wat een Mis eigenlijk was.
En moeten zij eigenlijk de inhoud en de sfeer van een viering bepalen, voor die ene keer dat ze er ook eens bij zijn? Sommige parochianen maakten zelfs rechtsomkeer toen ze zagen dat het een Mis was met vormelingen of eerste communicanten. Ze gingen nog liever terug naar huis dan dat te moeten meemaken.
En inderdaad, die vieringen waren soms wat minder ordelijk en minder plechtig dan we gewoon zijn.
De huidige generatie kinderen is niet meer opgegroeid met de boodschap: "Nu gaan we naar de kerk. Dat is niet echt iets voor kinderen, dus jullie moeten stilzitten en zwijgen".
Nu maak ik er natuurlijk ook een karikatuur van, want zo was het vroeger nu ook weer niet. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: die kinderen hebben niet alleen catechisten nodig, maar ook ons, de gewone parochianen.

In het evangelie vandaag hoorden wij een stukje uit de parabel van de goede herder.
Jezus wil een herder zijn voor zijn hele kudde, ook voor de schapen die dreigen verloren te lopen of al afgedwaald zijn. Ook voor de jonge schapen die nieuw zijn bij de kudde en die hopen door de groteren, de ouderen aanvaard te worden en te mogen meelopen.
Niet toevallig is het vandaag ook roepingenzondag.
Een priester of een pastoor wordt ook wel eens de herder van zijn parochie genoemd. Het is niet zo best gesteld met het aantal roepingen - in de enge zin van het woord dan - in onze streken. Moeten wij nu op deze roepingenzondag met zijn allen heel hard bidden, zodat volgende week de seminaries weer vollopen?

Natuurlijk niet. Misschien moeten we het begrip "roeping" in een wat bredere betekenis gaan opvatten.
Geroepen zijn wij allemaal.
En we weten dat een aantal taken in een parochie nu worden opgenomen door verscheidene mensen, omdat die ene pastoor onmogelijk alles kan doen. Zo moet eigenlijk ook die taak van de herder onder meerdere mensen worden verdeeld.
Wij zijn allemaal herder, zoals wij ook allemaal schaap zijn. We hebben elkaar nodig, maar moeten ook onze verantwoordelijkheid in de kudde op ons nemen.

Keren we even terug naar de eerste communicanten en vormelingen. Zelf volg ik de vormselcatechese al een dertigtal jaar van nabij.
Eerst als medewerker, later als verantwoordelijke. En sinds mijn dochter de fakkel heeft overgenomen, als geïnteresseerd toeschouwer aan de zijlijn, die zelfs af en toe nog eens mag invallen in blessuretijd.
En natuurlijk slagen wij er niet in van die kinderen opnieuw parochianen te maken die elke zondag naar de mis komen.

De vraag is trouwens of dat de bedoeling is.
Maar mijn ervaring leert wel dat de meeste van die kinderen echt wel vol goede wil zitten. Dat ze echt van plan zijn er een jaar lang het beste van te maken en zich in te zetten.
Dat ze bovendien heel open staan voor nieuwe prikkels en ook gevoelig zijn voor het catechese-aanbod. Velen van hen ervaren in de voorbereiding en op de dag van hun vormsel toch een religieuze dimensie. En ook al komen zij nadien niet elke week terug, die ervaring en die stempel raken ze allicht niet meer kwijt.
Sommigen getuigen er jaren later trouwens nog over. En ook de ouders die sinds enkele jaren worden ingeschakeld bij de voorbereiding groeien in hun rol. En, ook al zijn ze er soms wat aarzelend aan begonnen, ze vertellen toch achteraf dat ze er zoveel deugd aan beleefd hebben.

Belangrijk voor de kinderen is vooral dat ze voelen dat ze in een warme omgeving terechtkomen. Het maakt een heel verschil uit dat ze in de parochiegemeenschap een klankbord vinden, of op zijn minst een luisterend oor.
En geen muur waar ze tegen aan botsen of een deur die gesloten blijft.
Ze komen net piepen, het zijn nog kleine en kwetsbare lammetjes in onze kudde.
Of ze zich er gaan blijven thuis voelen, hangt in grote mate af van het soort herders dat zij gaan ontmoeten ...