De draad terug opnemen C (2013)

Wij horen vandaag een groot deel van het 21ste en laatste hoofdstuk van het Evangelie volgens Johannes. De liturgie laat toe om daarin te lezen tot aan vers 14, aan het einde van de maaltijd, ofwel de lange versie tot aan vers 19, mét het gesprek tussen Jezus en Simon Petrus. Ik heb, om meer dan één reden, gekozen voor de lange versie.

Ook mijn preek zal vandaag misschien wat langer uitvallen.

Bijbelkundigen hebben lang gedacht dat dat laatste hoofdstuk later aan het evangelie werd toegevoegd. Vreemd genoeg komt Johannes, de beminde leerling, juist in dat hoofdstuk het meest ter sprake. Met andere woorden: zonder het 21ste hoofdstuk zou dit evangelie niet het evangelie van Johannes zijn.

Het geheel bestaat uit twee verschillende verhalen. Een verschijningsverhaal en een roepingsverhaal.

Het verschijningsverhaal bestaat op zijn beurt uit twee delen: een wonderbare visvangst en een barbecue op het strand bij het meer van Tiberias.

De leerlingen nemen de draad terug op en gaan opnieuw vissen. Maar … ze vangen niets. Jezus, die aan het strand staat, roept hen toe: “gooi het net eens aan de andere kant uit”. En daarna vangen ze een massa vis.

Vreemd genoeg wordt Jezus niet meteen door zijn leerlingen herkend. De uitspraak "midden onder u staat Hij die gij niet kent" geldt evenzeer voor hen.

Johannes, de leerling van wie Jezus veel hield, is de eerste die het in ’t oog krijgt: “dit is de Heer”. De overige leerlingen beginnen dat pas te snappen als ze samen met Hem brood breken en vis delen bij een houtskoolvuur. Ook al durven ze het niet vragen: ze zijn hier op dezelfde plek, aan het zelfde meer, waar Hij die andere keer vijf broden en twee vissen deelde voor zovelen: het Broodwonder. Dit kàn alleen de Heer zijn.

Zowel in het verschijningsverhaal als in het roepingsverhaal speelt Petrus de hoofdrol. In het eerste slooft hij zich wel erg uit. Hij neemt niet alleen het initiatief om terug te gaan vissen. Hij is het ook die meteen in het water springt om naar Jezus toe te gaan én hij is het die het zware net vol vissen aan land sleept.

Petrus heeft nog heel wat goed te maken sinds hij op Goede Vrijdag Jezus verloochende, wel driemaal opnieuw, nog voor het kraaien van de haan. Hier, opnieuw bij een houtskoolvuur, zullen de herinneringen daaraan hem danig parten spelen.

Na de maaltijd wordt Petrus door Jezus aangesproken, ook drie maal opnieuw. En eindelijk begint Petrus het te snappen. Jezus heeft niets aan wie Hem belijden met de lippen, maar in de steek laten als het erop aan komt. Jezus heeft nood aan wie Hem graag zien en die er alles voor over hebben om Hem te volgen met de daad. Alleen op zo’n volgers kan een kerk worden gebouwd.

Alleen aan zo’n mensen zegt Jezus: “volg Mij”.

Bij “een houtskoolvuur met vis erop en brood” daar aan het meer, op een frisse ochtend kort na Pasen, begon voor de leerlingen alles opnieuw.

Maar wat hebben wij daaraan? Waren wij er dan bij aan het meer van Tiberias?

Misschien wel. Johannes noemt vijf leerlingen met name: Simon Petrus, Thomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël en de zonen van Zebedeüs, dat zijn Johannes en Jacobus.

En dan nog twee andere leerlingen. Die namen mogen wij zelf invullen, eventueel met onze eigen naam: u en ik.

Aan de oever van het meer stond de Heer ook op ons te wachten. Ook wij zijn leerlingen van de verrezen Christus. Ook aan ons vraagt Hij om het net eens aan de andere kant uit te gooien. Ook aan ons vraagt Hij om Hem te (h)erkennen in onze medemens en Hem te volgen.

Hoe of waarheen, dat blijft een open vraag. Ook Petrus is van visser tot herder geworden. Wie zal dus zeggen welke weg of waarheen wij zullen gaan?

Ik had vroeger een vriend die graag striptekenaar wilde worden. Hij kon, net als Willy Vandersteen, met een paar lijnen Suske en Wiske, Lambik, of tante Sidonie op papier zetten.

Overtekenen en imiteren is een beetje als playbacken of karaoke: proberen je idool zo goed mogelijk na te doen. Al is het ene een beetje “doen alsof” en moet je bij karaoke wel zelf zingen.

Maar pas als het echt uit jezelf komt, pas als je zelf de tekenaar of de zanger wordt die in zijn spoor wil verder werken, dan ben je een volgeling.

Zo kunnen wij naast Petrus gaan staan. Jezus vraagt niet naar onze diploma's, niet naar onze successen. Hij vraagt alleen: "hou je van Mij".

“Een houtskoolvuur met vis erop en brood” is (niet toevallig) de titel van de visietekst waarin onze bisschop, Johan Bonny, een aantal overwegingen verzamelde rond christen-zijn en kerk-zijn vandaag. Hij wil ermee de richting aangeven die het bisdom Antwerpen de komende jaren zal uitgaan.

Nog concreter dan die van het bisdom, is de vraag van onze eigen parochie. Werken aan een gelovige gemeenschap op Linkeroever, hoe doen we dat best? Welke weg zullen wij gaan? Is onze boodschap interessant, ook voor jonge mensen?

Dat bespreken wij op twee gespreksavonden.

Nu dinsdag 16 april om 20 uur in het zaaltje van het Cultureel centrum ter Schelde en de week daarop, maandag 22 april, ook om 20 uur, in de zaal van het Sint-Anneke Centrum.

Blijven werken aan een gelovige gemeenschap op Linkeroever, is ook voor ons de draad terug opnemen. Fouten maken, vallen of teleurgesteld zijn mag. Maar ook doorgaan of (deels) opnieuw beginnen moet kunnen.

Als de kerken vandaag leeg lopen, dan hoeft dat niet te betekenen dat het evangelie onverkoopbaar geworden is. Misschien betekent het wel dat we terug moeten keren naar de methode van Jezus zelf: de vriendschap voor allen, te beginnen met de kleinsten. En daarbij het oude spreekwoord “Woorden wekken, voorbeelden strekken”.

“Kom, volg Mij”, zegt Jezus, ook tot ons. Amen.