Feiten worden tekenen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Die vraag van Tomas is ons uit het hart gegrepen. Wij zijn immers, als het op waarheid aankomt, onlesbaar dorstig naar feiten. We hebben dat geleerd van de wetenschapsmensen. Zij onderzoeken de feiten met een pijnlijke nauwkeurigheid. Dat heeft geleid tot een enorme toename van onze kennis. Tomas' vraag laat tegelijk ook zien dat dit verlangen toch niet zo nieuw is.

Wat wil Tomas bereiken met zijn vraag? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: hij wil het onweerlegbare bewijs dat Jezus verrezen is en leeft. Als ik het even wat onkies mag zeggen: hij wil een lijkschouwing houden, maar dan op een soort gereanimeerd lichaam. Het merkwaardige is nu dat Jezus Tomas' vraag niet afwijst. Hij zegt: ‘Kijk maar, betast mij, Ik ben het wel degelijk.' Zo mogelijk nog merkwaardiger is het antwoord dat Tomas dan geeft. Hij zegt niet: ‘Oké, nu weet ik zeker dat Gij leeft, want ik heb het zelf kunnen controleren,' maar wel: ‘Mijn Heer! mijn God!'

Wij denken nu dat Tomas niet meer hoeft te geloven, omdat hij het allemaal met eigen ogen gezien heeft. Wij denken dat geloven wil zeggen: feiten als waar aannemen, ook als we ze niet zelf vastgesteld hebben. Conclusie: wij moeten wel nog geloven en Tomas niet meer. Maar daar zitten we verkeerd. Geloven heeft immers altijd met God te maken, altijd, ook bij de strafste ‘feiten'. Geloof is gericht op God en die is geen vaststelbaar feit. Niemand heeft God ooit gezien. Ook het zien van een - met uw welnemen - gereanimeerd lijk vervangt het geloven niet. De feiten mogen nog zo kras zijn, op zichzelf volstaan ze niet en nooit om mensen tot geloof te brengen. Denk maar aan het ongeloof waarop Jezus stootte, zelfs bij zijn grootste wonderen. Geloof ontstaat pas als we de feiten gaan zien als tekenen. Zo besluit Johannes ook zijn evangelie: ‘Deze tekenen zijn opgeschreven opdat gij moogt geloven en leven moogt bezitten.'

De verschijning van Jezus is een teken van Godswege. Nu ligt het niet in Gods bedoeling ons met verbluffend spektakel te overdonderen. Als Tomas er dan toch om vraagt, krijgt hij zijn zin. Als Jezus hem daarbij vermaant dat hij voortaan niet langer ongelovig maar gelovig hoort te zijn, dan kunnen we zijn bedoeling als volgt (trachten te) verwoorden: ‘Ga je nu eindelijk snappen, Tomas, wat met Mij gebeurd is? Besef je dat Ik de mensen niet in de steek laat, ook daar niet waar de ergste absurditeiten plaatsgrijpen - denk aan Golgota? Snap je dat wat jij 'dood' noemt en 'gedaan' en 'amen en uit' en 'een kruis erover', dat je daar niet in de steek gelaten wordt? Ga je nu eindelijk aanvaarden dat Ik daar ben, ook daar, om je erdoor te halen?' De beste sleutel om dit verhaal te begrijpen, ligt dan ook in de woorden van Petrus: ‘Hij liet ons in zijn grote barmhartigheid herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood' (1Pe 1,3).