Blind vertrouwen (2001)

Sterke verhalen die twijfel oproepen zijn van alle tijden. Zo worden wij af en toe weer eens getracteerd op verhalen van iemand die een of meer vliegende schotels heeft zien overvliegen. Wij zijn kritische mensen en dus gaan we niet zo maar af op verhalen. Maar hoe kan zo iemand z’n verhaal geloofwaardig maken? Hij krijgt een artikel in de krant. Dat scheelt een hoop, maar niet alles, want we weten intussen dat daar heel wat in staat wat van geen kanten klopt, er wordt in gefantaseerd, verondersteld, verdraaid en soms zelfs netjes gelogen. Dus moeten er foto’s bij. Helpt ook al niet om alle twijfel weg te halen, want met behulp van de computer kun je met foto’s van alles uithalen: het verkeerde hoofd op het verkeerde lijf zetten en nog veel meer. Al die technische mogelijkheden maken de bewijskracht niet groter, eerder kleiner. Hoe kun je nog zeker zijn dat de werkelijkheid wordt weergegeven en niet de gemaakte, virtuele werkelijkheid? Absoluut zeker zijn we nooit, maar we hebben toch ook niet alle vertrouwen opgegeven en daar valt heel goed mee te leven. Daar komt het op aan.

Acht dagen geleden, met Pasen, hoorden we een sterk verhaal, een mengsel van twijfel, van hoop, van vertrouwen: De vermoorde Jezus zou niet voorgoed dood zijn ,maar leven. Vandaag nog veel sterker. Leerlingen vertellen dat ze Hem in hun midden hebben gehad. Heel even komt de gedachte op dat ze zien wat ze verwachtten, maar dat was nu juist helemaal niet het geval; ze schrikken zich een ongeluk zodat ze eerst gerust gesteld moeten worden met een hun bekende groet: “vrede zij met jullie”. Er staat ook geen wensdroom voor hen, want de wonden waaraan ze Hem hebben zien sterven blijven pijnlijk herinneren aan de weg die Hij is gegaan en nog erger: aan de weg waartoe ook die leerlingen worden uitgenodigd. “Uitgenodigd” is te zacht uitgedrukt, ze worden gewoon aangewezen om in woord en daad diezelfde levensweg te gaan en ook tot het uiterste waartoe die kennelijk leiden kan. Zeker geen wensdroom. Gelukkig krijgen ze meteen diezelfde geestkracht “ingeblazen”die Jezus had. Het mag een sterk verhaal lijken, maar als ze het hadden mogen verzinnen dan hadden ze wel wat leukers verzonnen.

Toch blijft er twijfel, in elk geval bij minstens één van hen, Thomas, en zo ook bij nog heel wat mensen na hem. Thomas was zijn tijd vooruit, had graag met eigen ogen gezien en met eigen handen gevoeld. Hij kon wel nog niet weten dat zelf zien en zelf voelen en zelf waarnemen in een tijd als de onze nauwelijks nog betrouwbaar is. Als hij in onze tijd had geleefd zou hij wellicht nog sneller begrepen hebben dat zien en voelen niet doen geloven en vertrouwen. Wij ervaren en weten elke dag beter dat vertrouwen en dus geloven wel doen zien en voelen en dat je daar mee moet leven.

Waar halen we dan het geloof en vertrouwen vandaan dat Jezus nog steeds levend vlakbij God en mensen aanwezig is? Heeft Hij daar dan niet in levende lijve gestaan? Er zijn geen bijzondere redenen om daar aan te twijfelen, maar Jezus zelf zegt dat geloof en vertrouwen daar niet op mogen rusten: niet zien en toch geloven, een uitnodiging tot blind vertrouwen, je als een blinde overgeven aan de ziener die de weg wijst. Zijn er dan verder geen aanwijzingen? Jawel. Overal waar mensen in zijn naam liefde voor elkaar geven en ontvangen daar is Hij levend aanwezig, want Hij trekt mee, zoals beloofd, met degenen die zich door daartoe hebben laten uitsturen. Hem waarnemen komt echter pas na dat geloof en vertrouwen en dat is nu eenmaal puur “Geestesgave”. Daar hadden die eerste leerlingen ook minstens tot Pinksteren voor nodig. Als het bij ons na 2000 keer Pinksteren nog niet is binnengekomen, dan misschien na 2001 keer. Zo zij het.