Halleluja

“Zingt jubilate”, dit is het eerste lied in een reeks van 47 liederen, die voor de paastijd zijn voorzien in het zangboek Zingt Jubilate. Wij jubelen niet enkel op de paasmorgen, maar doen dit gedurende een periode van vijftig dagen, een feestlied voor de kring van vijftig dagen. Hij omvat Pasen, Hemelvaartsdag en het Pinksterfeest. Lucas schenkt in zijn evangelie en in de Handelingen aandacht aan elk van deze feestdagen. Bij de 47 liederen van de paastijd is er één met 19 korte strofen. Het is het lied met de boodschap dat de Heer waarlijk is opgestaan (ZJ. 426). Daarom zingen we het Halleluja. Zo we het lied ten einde toe zingen dan vullen we de ruimte met 19 maal vier halleluja’s. Dit klinkt dan 76 keer.

Toch is dit getal iets kleiner dan het aantal halleluja’s in het Zonnelied. Het lied ‘Almachtige Verheven Heer’, een lied van Franciscus zou een Paaslied kunnen zijn omwille van de nieuwe schepping (ZJ 814). In Zingt jubilate wordt het voorgesteld als een lied voor in de ochtend en in de avond. Het is een lied met 12 strofen en daarin telkens zeven halleluja’s. Dit brengt ons bij een aantal van 84 halleluja’s.

Wij zingen halleluja met Pasen. “Wij zijn blij omdat Christus niet in het graf is gebleven; omdat zijn lichaam niet het bederf heeft gezien; omdat Hij tot de wereld der levenden behoort en niet tot die van de doden; omdat Hij - zoals we bij de ritus van de paaskaars zeggen - Alpha en Omega tegelijkertijd is, omdat Hij niet alleen gisteren, maar ook "vandaag en tot in eeuwigheid" is (Heb. 13, 8)” (Uit de eerste paashomilie van paus Benedictus XVI).

De Heer is waarlijk verrezen

De Heer is waarlijk verrezen. Deze boodschap staat duidelijk bij de drie synoptici en ze behoort evenzeer tot het evangelie van Johannes, al zijn er onderlinge verschillen. Jezus is gekruisigd. Zijn leven lijkt mislukt. En meteen gaat er een boodschap van uit dat hij leeft. “Waarom zoeken jullie de levende onder de doden?” (Lc. 24,5). Wij delen in het geloof van de eerste generatie dat Jezus leeft. Voor de schrijvers van het Nieuwe Testament is de opstanding van Jezus “het verbijsterende besef dat we nu lieven in een nieuwe fase van de geschiedenis, de laatste en beslissende fase van Gods relatie met de wereld die hij heeft geschapen” (Rowam Williams). Hebben feiten tot dit geloof geleid of heeft het geloof de verrijzenisverhalen geschapen?

De vier evangelisten hebben aangegeven dat Jezus is begraven op de avond van Goede Vrijdag. Mochten ze een biografie van Jezus geschreven hebben, dan zou de begrafenis van Jezus het slot geweest zijn van hun verhaal. Jezus sterft op het kruis. Het is er mee gedaan. De Jezus wiens opstanding het nieuwe tijdperk heeft ingeleid, de Jezus die leeft en volledig is waar hij wil zijn in deze nieuwe context, is immers een Jezus die niet kan worden gevat in een gewone biografie over een mens” (R. Williams, God met ons, p. 70).

De evangelisten brengen een verhaal over een levende. Daardoor geven ze al een andere kleur aan hun voorlopig eerste slot van hun evangelie. Het is gedaan en toch niet. Johannes geeft een bijzonder gewicht aan dit einde en aan de woorden van Jezus: “Het is volbracht.” Dit wil zeggen ik heb mijn opdracht volbracht, mijn leven gegeven. Volgens Johannes is dit al een element van verheffing en verheerlijking. Zij kijken op naar hem die is gestorven. Het kruis, een instrument van afschuw, wordt nu het teken om naar op te zien.

Het lege graf

Elk van de vier evangelisten verwijst naar het lege graf. De vrouwen, die op afstand de kruisiging gevolgd hebben, zijn de eerste die de weggerolde steen hebben gezien. Dit lege graf is op zich nog geen teken van verrijzenis. “Dat fameuze lege graf in het Nieuwe Testament is geen bewijs van de verrijzenis. Het bewijst niets. Het is geen bewijs van wat dan ook. Het is gewoon de ruimte van het geloof. Een soort hiaat. De leerlingen hebben Jezus dood gezien, daarna hebben ze hem als levend herkend. Tussen beide waarnemingen is er het lege graf, de ruimte van het geloof” ( Armand Veilleux).

Het lege graf wekt verwondering en verwarring. De vrouwen doen de vaststelling van de weggerolde steen, en zien het lege graf. Een moment van pijn, alles is ons afgepakt. Toch is dit graf geen chaos, de doeken zijn netjes opgerold. Petrus kijkt er volgens Lucas verbaasd op neer.

Een nieuwe dimensie

Er moet nog iets meer gebeuren eer Petrus en de apostelen zullen geloven dat Jezus is verrezen. Lucas geeft een evolutie in dit geloof met zijn verhaal van de Emmaüsgangers en de verschijning van Jezus aan de apostelen. Zij hebben meer inzicht gekregen in de Schriften en zullen er vanaf Pinksteren over getuigen. Voor Lucas gaat zijn evangelie verder in de Handelingen van de apostelen, waaruit we lezen tijdens de paastijd.

Wat is de verrijzenis? Het is geen gereanimeerd lichaam. De doden die Jezus heeft opgewekt zijn alle later gestorven. Van Jezus geloven we dat hij definitief leeft en werkzaam is. De apostelen geloven dat er met hem een nieuwe definitieve tijd is ingegaan.

“De verrijzenis van Christus, zij is - wanneer wij de taal van de evolutieleer zouden mogen benutten - de meest grote 'mutatie', de absoluut beslissende sprong in een heel nieuwe dimensie van de lange geschiedenis van het leven en zijn ontwikkelingen. De verrijzenis van Christus is een sprong in een compleet nieuwe orde, die ons wel degelijk aangaat en betrekking heeft op heel de geschiedenis” (Paus Benedictus XVI in zijn eerste paashomilie in 2006).

Eenmaal verrezen is Jezus ten volle doordrongen van God. Er begint een nieuwe tijd. Jezus is nu helemaal in actie in hen, die voor hen openstaan en zich laten dopen.

Met implicaties

De verrijzenis brengt verandering. Liefde is sterker dan haat. De mens in de schepping verdient ten volle waardering. Verrijzen is zelf opstaan en anderen doen opstaan.

De opstanding, de verrijzenis van Jezus gedenken is meer dan een terugblik op het leven van Jezus. “De opstanding is ook een aanwezige realiteit die ons leven als christenen ordent en organiseert, ons leven in het lichaam van Christus; De opstanding is wat de nieuwe taal, die christenen spreken, door hun woorden en daden laat ontstaan. De opstanding is de basis van hoe we betekenis geven in wat we doen en zeggen” (Rowam Williams, God met ons; p. 96).

Rowam Williams, oud aartsbisschop van Canterbury heeft tijdens zijn ambtstijd er vaak op gewezen dat de visie op de verrijzenis voor de kerk eveneens een maatschappelijke en politieke relevantie heeft. De verrezen Heer geeft aan dynamiek aan een proces van gerechtigheid en heelmaking van de schepping.

Bij de opstelling van de belangrijke constitutie over de Kerk in de wereld van vandaag, Gaudium en Spes, hadden de concilievader Christus voor ogen, de nieuwe mens Christus (Gaudium et Spes, 22).

“Wij hebben de plicht de tekenen van de tijd in het nu van de geschiedenis te begrijpen. Daarom spoort het gelood ieder van ons aan om een levend teken te worden van de aanwezigheid van de Verrezene in de wereld” (Benedictus VI, Porta Fidei, oktober 2011).

Dit is meer dan het zingen van het alleluja. We zingen het doorheen het ganse jaar, Halleluja, een lied voor elke dag. Tijdens de veertigdagentijd hebben we gevast en lieten we het alleluja achterwege laten om het nu met meer ijver te zingen op deze paasdag. Wij richten daarbij onze blik op de icoon van de verrijzenis en de opstanding. Jezus opent de poorten en trekt mensen op. De kerk is de gemeenschap van de vrienden van de Verrezen Heer. Zij is een gemeenschap, niet gericht op zichzelf, maar op de ganse schepping.