Elke evangelist vermeldt de persoon van Johannes, de zoon van Elisabeth en Zacharias; Hij was een prediker, legde de nadruk op God als rechter over de tijd. Hij roept op tot bekering, die zich al uitdrukt door zich te laten dopen. Hij gaat de geschiedenis in als de doper, vooral de man die Jezus heeft gedoopt. Jezus, van wie we zouden denken dat hij geen doopsel nodig had. Het doopsel was ten tijde van Johannes nog bij andere groepen bekend. Het is een ritueel van zuivering, van opstaan om een nieuwe mens te worden.
Het eerste hoofdstuk van Lucas is als een tweeluik, een luik over Johannes en een luik over Jezus. Vooral vanaf het derde hoofdstuk van het evangelie van Lucas is het duidelijk dat de hoofdrol naar Jezus gaat. Johannes is de voorganger, hij wijst naar Jezus. Hij kent zichzelf geen centrale plaats toe. Op de vraag of hij de Messias zou zijn is zijn antwoord heel duidelijk: Jezus is voor hem de meerdere, iemand die sterker is dan hij zelf. “Ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.”
De start van de zending
Bij Lucas is dit doopsel als een aanstelling van Jezus. Hij is de door God beminde. Op hem rust de Geest. Zijn openbaar leven met zijn zending kan beginnen. Zijn opgaan naar Jeruzalem waar hij zal gekruisigd worden, is voor Jezus als een tweede doopsel. Maanden later nadat Jezus door Johannes werd gedoopt horen we hem: zeggen “Ik moet een doopsel ondergaan en hoe beklemd voel ik mij totdat het volbracht is” (Lc. 12,5).
Na het heengaan van Jezus worden wie hem wil volgen, gedoopt. Op Pinksteren vragen de toehoorders van Petrus wat ze moeten doen en hij antwoordt ‘”Bekeer u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen” (Hand. .2, 38).
Gemeenschap van gedoopten
De kring breidt zich uit. Een grote stap wordt gezet wanneer Petrus in Caesarea Cornelius doopt. Deze is een Romeins officier. Met hem worden de heidenen opgenomen in de jonge gemeenschap. Het is vooral Paulus die de grote apostel wordt onder de heidenen en hen het doopsel toedient. Paulus geeft in zijn brief aan de Galaten met een krachtige zin aan dat door het geloof in Jezus en door de doop een nieuwe gemeenschap rond Jezus ontstaat. Door de doop horen we helemaal bij hem: Joden en niet-Joden, slaven en vrije mensen, mannen en vrouwen (vgl. Gal. 3,26-29).
Generaties na elkaar zijn mensen gedoopt en gezalfd. Baptisteria en oude doopvonten kunnen zoveel vertellen, deze van Saint Barthélemy in Luik, een van de wonderen van België, de romaanse doopvont in de collegiale kerk van Dendermonde, de doopvont in een van de kerken in de nieuwe parochie.
We leren veel van het verhaal van mensen die de dooppastoraal begeleiden, over de motieven waarom ouders hun kind laten dopen, over de zorg om inzicht in de initiatiesacramenten (het doopsel, het vormsel en de eucharistie). Velen werden en worden ongevraagd gedoopt omdat ouders, van wie we zoveel ontvangen hebben, waarden aan kinderen willen meegeven.
Op een Franse Tv-zender zei een man dat zijn ouders katholiek waren maar dat hij zelf niet wist of hij ja of neen gedoopt werd.
In een tentoonstelling over kwetsuren lag deze tekst van een Ierse persoon, 87 jaar: “Kort na mijn geboorte werd ik door mijn ouders, - ondoordacht maar met goede bedoeling - tot christen gedoopt. Het kostte mij 15 jaar om deze gedwongen relatie te doorbreken.”
We voelen de pijn om hen die de band verbreken. We mogen ook dankbaar zijn om nieuwkomers bij de bron. Zo iemand was Edith Stein. Op 1 januari was het een eeuw geleden dat zij het doopsel ontving. Zij was kind van een joodse familie in Breslau. Zij had een filosofische opleiding en was tijdens haar jeugd enige tijd atheïst. Door haar contact met christenen uit haar vriendenkring groeide stilaan haar verlangen om zich te laten dopen. Haar keuze was geen afkeer voor haar joodse afkomst. Zij koos als dag voor haar doopsel 1 januari. Die dag was toen het feest van de besnijdenis van Jezus en had een Joodse verankering.
Ze werd jaren later karmelietes in Keulen en verhuisde wegens de vervolging van de joden door de nazi’s naar Echt in Nederland, waar ze dan toch omwille van haar Joodse afkomst in augustus 1942 werd opgepakt en in Auschwitz vergast.
Zuster Teresia Benedicta Edith Stein werd op 11 oktober 1998 in Rome heiligverklaard. (Dr. Ilse Kerremans, Edith Stein/ Leven aan Gods hand, Halewijn, 1915)
Dooppastoraal
In een catechese over het sacrament van het doopsel herinnerde paus Franciscus aan een episode uit de kerkgeschiedenis van Japan. de zogenoemde Kakure Kirishitan, de ‘Verborgen Christenen’. Deze waren een groep van ongeveer 30.000 katholieke gelovigen die in het diepste geheim hun godsdienst bleven beoefenen. De onderdrukking van het christelijk geloof was een resultaat van de Shimabara-opstand in de Edo-periode (1603-1867), waarin de Tokugawa-shoguns over Japan heersten. Wanneer een kind geboren werd, dan werd het door de ouders gedoopt. Gelovigen mogen in bijzondere omstandigheden dopen. Toen, na ongeveer 250 jaar nadien, de missionarissen naar Japan terugkeerden, kwamen duizenden gelovigen uit de kasten en kon de Kerk opnieuw bloeien. Zij hadden het overleefd dankzij de genade van hun doopsel!”
De paus zei: “Dat is groots: het Volk van God draagt het geloof over, doopt zijn kinderen en gaat verder. Het had, zelfs in het geheim, een sterkte gemeenschapsgeest bewaard, omdat het doopsel hen tot het ene lichaam van Christus had gemaakt. Zij waren geïsoleerd en verborgen, maar ze waren steeds het Volk van God, leden van de Kerk. Wij kunnen veel leren van deze geschiedenis!” aldus Franciscus tot de gelovigen op het Sint-Pietersplein (Rome, 15 januari 2015).
In zijn brief Querida Amazonia (n° 99) dankt paus Franciscus de vrouwen voor hun zorg bij het doopsel. “In het Amazonegebied zijn er gemeenschappen die lang, soms tientallen jaren, het geloof levendig gehouden hebben en doorgegeven zonder dat er een priester naar toe is gegaan. Dit is te danken aan de aanwezigheid van sterke en toegewijde vrouwen: Ongetwijfeld geroepen en aangespoord door de Heilige Geest, hebben deze vrouwen doopsels toegediend, catechese gegeven, mensen leren bidden en gewerkt als missionarissen. Eeuwenlang hebben zij de kerk op deze streken met bewonderenswaardige toewijding en vurig geloof in leven gehouden.”
Verbonden met Christus
Bij het ritueel van het doopsel met water wordt de dopeling gezalfd met chrisma. Wij heten dan christen, dit is verbonden zijn met Christus, die de gezalfde is. Hij is gedoopt en gezalfd door de komst van de Geest.
“Wie ingaat tot dit water, ontvangt die op het water zweeft, die is uit Zoon en Vader, de Geest die eeuwig leeft” (ZJ 606).
De auteur van de eerste Petrusbrief aanziet de gedoopte als levende stenen van een geestelijke tempel en hij looft hen als een uitverkoren geslacht, een volk van priesters en koningen, een heilige natie (vgl. 1 Petr. 2, 4-10).
Wat komt daarvan in het dagelijks leven terecht? Voelen wij ons vanuit het doopsel verbonden met medechristenen, niet alleen in eigen kerk? Is wat ons verbindt sterker dan onze verdeeldheid? Was en is er in de kerk niet een te groot onderscheid tussen de Horende Kerk en de Lerarende Kerk (Ecclesia discens, Ecclesia docens). Kunnen we elkanders gaven erkennen? Hoe gaan in de kerk rijk en arm met elkaar om?
Als gedoopte zijn we tot verantwoordelijkheid opgeroepen. Paus Franciscus heeft zijn project voorgelegd voor een synodale kerk, een kerk waar we samen op weg zijn om de boodschap van Jezus in ons op te nemen en als blijde boodschap aan andere mee te geven.
Wat sluimert: kan opnieuw tot leven komen. Bisschop Lode Van Hecke heeft voor het bisdom Gent voorgesteld om gedurende twee jaar na te denken over de fundamenten en de betekenis van het doopsel. Hij verbindt het meteen met het synodaal proces. “Door ons doopsel worden we kind van God en maken we deel uit van een nieuwe familie: de familie van de Kerk, de gemeenschap van de christengelovigen.” Om deze weg te begeleiden is het tochtboek opgesteld ‘Leven vanuit de doop.’
De profeet Jesaja geeft ons op het feest van het doopsel van Christus een prachtige opdracht mee. Christus is Gods uitverkoren dienaar die het zwakke optilt, “die het geknakte riet niet breekt en de kwijnende vlaspit niet dooft” (Jes. 42,3).
De coronapandemie, maar ook het huidig wereldgebeuren brengen onzekerheid en vertwijfeling. Kunnen we wie gebroken zijn nabij zijn met tederheid en ervoor zorgen dat de kerk teken en spiegel mag zijn van Gods vriendelijkheid, zelfs doorheen haar eigen kwetsuren (Eucharistisch gebed XI D).