Kersttijd (C)

‘Sta op, laat het licht u beschijnen, Jeruzalem, want de Zon gaat over u op en de glorie van de Heer begint over u te schijnen.’

Zusters en broeders, zo begint de profeet Jesaja zijn danklied aan God, die het koningschap van Israël op zich heeft genomen. Hij is de Zon die straalt over het land, Hij zal geluk en vrede brengen, en alle volkeren en koningen zullen op zoek gaan naar dit land van licht en luister. Het verhaal dat Mattheus in het evangelie vertelt, sluit daar onmiddellijk bij aan: Wijzen uit het oosten hebben de ster van de pasgeboren Koning van de joden gezien, en ze volgen dat licht om Hem hulde te brengen. Wellicht vertelt Mattheus een symbolisch verhaal: net als zijn hemelse Vader is Jezus zelf de Ster en het Licht dat straalt over Israël en de Wijzen uit het oosten aantrekt. En die Wijzen staan symbool voor alle volkeren. Boven Jeruzalem wordt de ster even verduisterd door de machten en krachten van de wereldlijke en geestelijke heersers, net zoals het licht van Jezus daar even wordt verduisterd wanneer Hij door de wereldlijke en geestelijke heersers vermoord wordt. Maar na drie dagen schittert zijn licht van liefde en vrede opnieuw en wijst het, net zoals de ster, meer dan ooit de weg.

Zoals altijd moeten wij ons afvragen: waar staan wij in dat verhaal? Volgen wij de Wijzen? Gaan we dus op zoek naar het licht van de Heer, ook al is het langs een verre weg die we niet kennen? Voor de Wijzen is de ster het teken dat er iets belangrijks is gebeurd. Geloven ook wij dat een teken op iets belangrijks kan wijzen?

Wellicht zijn we ons daar niet van bewust, maar ons leven barst van tekens. Van een van die tekens geven de Wijzen ons een voorbeeld: ze geven een geschenk. Geen kitsch, maar goud, wierook en mirre, en dat zijn tekens van geloof en respect. Goud wijst op het koningschap van Jezus, wierook op zijn rol als profeet van de Blijde Boodschap, en mirre is de voorbode van de zalvende olie bij zijn dood, die uitmondt in zijn verrijzenis. Zien ook wij een geschenk dat we geven of krijgen als een belangrijk teken van liefde en respect, of zien we het, zeker in deze tijd van het jaar, veeleer als een plicht van geven en nemen? Delen wij onze liefde en ons respect echt liefdevol met onze partner, onze kinderen en kleinkinderen, onze familie, met iedereen? Schenken wij in ons dagelijks leven altijd en overal een teken van vriendelijkheid? Geven wij in al ons doen en denken een teken van ons geloof, of is ons geloof niets meer dan een wekelijkse plicht die ophoudt wanneer we de kerk verlaten? Staan we open voor tekens die we van anderen krijgen?  Het zijn maar enkele vragen over enkele van de heel veel tekens die we elke dag ontmoeten en die we ook zelf geven. Zijn wij daar, net zoals de wijzen, gevoelig voor, of vinden het allemaal flauwekul, komedie, oppervlakkigheid?

En vragen wij, ook net zoals de wijzen, om hulp als we in nood zijn? Want dat doen de Wijzen: om hulp vragen wanneer ze de ster niet meer zien. Ze vinden dat niet beneden hun waardigheid, ze voelen zich daar niet te goed voor. Kunnen wij ook om hulp vragen, of  durven we dat misschien niet? Of willen wij altijd alles zelf oplossen, omdat we alleen onszelf vertrouwen? Of zijn we, zoals de Wijzen, toch maar nederig genoeg om plaats te maken voor anderen? En zijn we, net als zij,  ook gelovig genoeg om te knielen voor God, Hem te aanbidden, te danken en te loven?

Zusters en broeders, Mattheus vertelt dat Wijzen uit het oosten kwamen omdat ze de ster van de pasgeboren koning van de joden hadden gezien.  Hij zegt niet met hoeveel ze waren, maar op basis van de geschenken die ze gaven, werd later aangenomen dat ze met drie waren. En omdat Jesaja in de eerste lezing zegt dat koningen op de luister van Gods dageraad zullen afkomen, werden de drie Wijzen  nog later drie koningen. Vandaag spreken we niet meer van Driekoningen, maar van de Openbaring van de Heer. En dat is het inderdaad: we gedenken en vieren dat God, dat Jezus aan alle volkeren werd en wordt geopenbaard. Ook aan ons werd en wordt Hij geopenbaard. Laten wij even respectvol en even gelovig zijn als de Wijzen uit het oosten. Het nieuwe jaar is pas begonnen, we hebben elkaar zeker het allerbeste toegewenst, en wellicht hebben we goede voornemens gemaakt. Het zou goed zijn als een van die voornemens zou zijn dat we, net zoals de Wijzen, ons laten leiden door het licht van de Heer onze God, en dat we zullen knielen om Hem te aanbidden, te loven en te danken. Amen.