Tijd door het jaar (C)

Mensen gelijken op elkaar. We zijn immers allemaal mensen met verlangens.

Wat verlangen wij? Het geluk. Met niet elkeen geeft daar de zelfde invulling aan.

Voor de ene kan het geluk zijn van veel te hebben en te bezitten, Voor een andere ligt het geluk in de vreugde van betekenis te hebben en te zijn voor een ander.

Jezus had verlangens. Hij verwoordt ze onder meer in het Onzevader, waarin hij bidt en verlangt dat de Naam van zijn Vader wordt geheiligd en dat zijn rijk mag komen (Lc. 11,2).

Het verlangen naar levensvervulling

Jezus verlangt dat door hem in vervulling mag gaan wat de profeet Jesaja heeft gezegd en voorspeld. “De Geest des Heren is over Mij gekomen. Hij heeft mij gezonden om armen de Blijde boodschap te brengen” (Lc. 4,11). Ook in het evangelie van vandaag, wanneer Jezus op weg is naar Jeruzalem, spreekt hij over zijn verlangen. Wij mogen een blik werpen in zijn hart. Wat verlangt Jezus? Het gaat in feite over het levensproject dat hem bezielt en waartoe hij zijn toehoorders oproept. Hij gebruikt hierbij een beeld dat ons wel even doet opschrikken. “Vuur ben ik op aarde komen brengen, en hoe verlang ik ernaar dat het reeds oplaait!” (Lc. 12, 49). Het is een woord uit de mond van Jezus dat vaak misbruikt werd en tot op vandaag om zogezegd het evangelie met vuur en het zwaard te verspreiden.

De kracht van vuur

Vuur, het verwarmt, het geeft licht. Het kan staal doen smelten. Het kan verbranden en vernietigen Zo roept het ook angst op. Wij kunnen er ons aan verbranden. Vuurwapens doden elke dag.

In zijn Zonnelied dankt Franciscus voor Broeder Vuur:

“Laudato si, mi signore, per frate focu,

per lo quale enn’allumini la nocte,

ed ello è bello et iocundo et robustoso et forte.

Lof zij U Heer om broeder vuur,

Die ons verlicht in ‘nachtelijk uur,

die zo robuust en vrolijk is,

Zo dapper in de duisternis (ZJ 814)

Vuur is een beeld voor bezieling, gedrevenheid en inzet. Wij kunnen vol vuur en vlam zijn. Dat de vurigheid die mensen drijft als laaiend vuur niet zou doven, tenminste als het gaat om een waardevolle zaak. Het vuur, het verwijst naar de Geest, “Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld over ieder van hen neerzette” (Hdl. 2,3). Wij bidden en zingen tot de Geest van vuur:

“Tu sei sorgente viva/ Tu sei fuoco, sei carità /

Vieni Spirito Santo/ Vieni Spirito Santo.”

“Viens, Esprit de sainteté,
Viens Esprit de lumière,
Viens Esprit de feu,
Viens nous embraser ! ”

Kom, Heilige Geest en ontsteek in ons het vuur van uw liefde.

Gedoopt doorheen het lijden

Naast het beeld van het vuur, aangewakkerd door de Geest, gebruikt Jezus een ander beeld, dat er eerder mee botst. Vuur en water, het zijn tegengestelden. Waar het te fel brandt, moet er geblust worden. Vuur en water, aarde en lucht zijn de vier oerelementen waaruit alles is opgebouwd. Jezus spreekt over het doopsel. Een doop gebeurt door water, door onderdompeling. Jezus bedoelt hier een doopsel door het lijden en zijn dood. Hij ontvangt het doopsel van het martelaarschap. Hij zal ondergedompeld worden. Hij zal sterven en bij zijn verrijzenis opstaan uit de dood.

“Ik moet een doopsel ondergaan”

Jezus kent de geschiedenis van zijn volk. Hij weet dat profeten hem zijn voorgegaan en dat deze het lijden hebben gekend. Hij denkt aan Johannes door wie hij gedoopt werd. Johannes had over Jezus voorspeld: “Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur” (Lc. 3,16). Johannes werd door Herodes in de gevangenis opgesloten en werd er gedood. Jezus is bezorgd over Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot haar zijn gezonden (Lc. 13,34). De lezing uit het Oude Testament op deze zondag brengt het verhaal van de moordpoging op de profeet Jeremia. Jezus heeft een vermoeden van wat hem zelf te wachten staat. Het is niet te verwonderen dat hij zich beklemd voelt.

Het beangstigt hem en hij kijkt al uit tot wanneer alles zal volbracht zijn. Hij verlangt ernaar dat alles goed terecht komt in Gods handen. Op Witte Donderdag bij de aanvang van het Laatste Avondmaal zegt Jezus tot zijn apostelen: “Vurig heb ik verlangd dit paaslam met u te eten eer ik ga lijden. Ik zal het niet meer eten totdat het zijn vervulling vindt in het Rijk Gods” (Lc. 22,15-16). Hij lijkt te verwijzen naar de dood die hem wacht. Een leven dat ondergaat in het water maar er als verrezen zal uit opstijgen.

Kiezen en verdeeldheid

Jezus verrast zijn leerlingen nog meer wanneer hij vraagt en zegt: “Meent gij dat ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg ik u, juist verdeeldheid” (Lc. 12, 51). Dit staat in contrast met wat wij Jezus in zijn afscheidsrede heeft gezegd: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u” (Joh. 14,27). Of toch niet?

Jezus geeft aan dat wij voor hem moeten kiezen. En dat wij omwille van die keuze op tegenstand botsen. De tijd dat wij dachten dat elkeen voor Jezus koos, is voorbij. Wij verketteren zo gemakkelijk mensen die niet van ons gedacht zijn. Fatima. kan nog steeds niet terug naar haar familie omdat zij hier met een christen gehuwd is. Op wereldvlak zijn er velen die omwille van hun geloofsovertuiging vervolgd worden.

Dagelijks moeten we stappen zetten op de weg om van elkaar, ondanks en doorheen verschillen, broers en zussen te zijn en om het vuur van de begeestering en de inzet brandend te houden.