20e zondag door het jaar C (2013)

Vandaag weer zo'n lezing waarvan je verwacht dat iemand zal zeggen wat moet ik ermee. Hoe kan Jezus nu zeggen: "Ik ben verdeeldheid komen brengen". Is Hij dan niet de Vredevorst? En niet zozeer verdeeldheid in het bedrijfsleven, in de politiek of op andere terreinen, maar juist verdeeldheid in de gezinnen, in de familiebanden, in de directe leefsituatie.

Zoals altijd kun je Jezus niet door de eendimensionale bril van onze tijd bekijken. Je kunt Hem ook niet verstaan met de beperkte woordbetekenis van onze dagen. Als Jezus over vrede spreekt, wat bedoelt Hij dan? Als Hij over Vuur spreek en als Hij spreekt over een Doopsel dat Hij moet ondergaan, waar denkt Hij dan aan?

Het is duidelijk dat als Jezus ergens heel erg naar verlangt, het dan gaat om iets wezenlijks en als Hij zich beklemd voelt dan gaat het ook niet om zomaar iets. Wat is dat verlangen en dat vuur waar Hij over spreekt?

Een paar maanden geleden zijn de vormelingen naar de kathedraal in Rotterdam geweest, naar de vuurdoop. Zo'n duizend jongeren samen, met allerlei vurige activiteiten, ze werden aangevuurd om een ander vuur te laten oplaaien, het vuur van de heilige Geest. Daarmee zitten we al aardig in de gedachtengang van Jezus' vuur. Wat is er erger dan lauwe mensen, mensen die niet koud of warm worden van wat er om hen heen gebeurd. Dat geldt in de politiek, dat geldt in het verenigingsleven, in de sport, in de kunst, eigenlijk overal, en heel bijzonder in het geloof. Ach wat maakt het uit, als je maar wat gelooft, acht je hoeft niet naar de kerk om toch te geloven, ach al die regeltjes, het leven gaat toch wel door, ook zonder de paus.

Zulke mensen kwam Jezus tegen. Lauwe mensen, de Geest was uitgedoofd, zelfs geen kwijnende vlaspit meer, geen geknakt riet maar een die de kop laat hangen en met alle winden meewaait. Maar er waren ook schijnvuren.

Zo kwam Jezus ook mensen tegen die het geweldig vonden als ze bij Hem een gratis maaltijd ontvingen. Een keer lekker brood eten, zonder te betalen, wijn drinken, gratis. Niet zomaar één hapje of één glaasje, maar net zoveel als ze op konden. Dat is nog eens een rabbi. U begrijpt dat ook dit niet het vuur is dat Jezus bedoelde.

Zo kwam Jezus ook mensen tegen die stonden te jubelen over al die dingen die Hij deed. Hoe bent U nu hier aan de overkant van het meer gekomen, zonder bootje. U moet wel een bijzonder mens zijn, dat U zulke tekenen doet. Maar als Jezus hen oproept om dan ook naar zijn woorden te leven, dan druipen ze af, de een naar zijn akkers, de ander naar zijn ossen.

Jezus kwam ook vuurvreters tegen, zeloten, activisten en revolutionairen. Zijn zij dan de mensen met het vuur dat Hij zoekt? Nee, want hun vuur is hartstocht, is ideologie, is menselijke gedrevenheid, is dikwijls doordrammerij. Zij missen het inzicht, het innerlijke luisteren naar wat God wil. Ze missen het gevoel voor het mysterie van Gods Koninkrijk.

En dan de Farizeeën, de Schriftgeleerden en de Sadduceeën. Zij die vurig ijveren voor de Wet van Mozes, die de heilige boeken, Gods Woord, dagelijks bestuderen, zij die lange zittingen houden om te groeien in wijsheid? Maar al te vaak botst Jezus met hen. Het vuur van hun betogen en discussies, blijft steken in het eigenbelang, in de goede posities in de maatschappij, in menselijke wijsheid, waardoor Gods Wet van de Liefde wordt ontkracht.

Vuur. Wat voor vuur zoekt Jezus. Het vuur dat brandt in zijn eigen hart. Echte liefde voor God en echte liefde voor de mensen. In alles wat Hij doet heeft Hij het goede voor. Het Goede voor Zijn Vader, dat Gods Naam geëerbiedigd wordt, geheiligd, gerespecteerd, gewaardeerd. Dat Gods Rijk mag komen, het Koninkrijk waar God koning is, waar Gods vrede de harten van de mensen vervult. Dat Gods wil geschiede, zijn wil die al het goede met ons voorheeft, Gods wil die ons door de moeilijkheden heen brengt naar de ware vrede van het hart.

Dat is het vuur in Jezus Hart, en Hij zoekt mensen in wie datzelfde vuur brandt.

En dat andere. Dat doopsel dat Hij moet ondergaan? Het is zijn manier van spreken over zijn sterven, zijn dood aan het kruis. De doodsangst die over Hem zal komen, de last van de zonde van de hele mensheid van alle tijden, die Hem doet delen in onze Godverlatenheid, Hij die in heel zijn wezen één is met de Vader. Dat doopsel, het water van de dood, het water, de zee van lijden, de onderwereld, waar hij in de duisternis wordt gedompeld.

Hij moet onrecht verduren, Hij moet kwaad in de ogen zien zonder zich te verdedigen, Hij moet de waarheid laten overwinnen door Zich toe te vertrouwen aan de liefde van de Vader, die onbegrijpelijke liefde die vol is van lijden. Hij moet in de waarheid blijven staan terwijl er rondom Hem alleen leugen en bedrog is. Dat beklemt Hem, dat beangstigt Hem, daar ziet Hij tegenop.

Maar Hij gaat zijn weg. Onvermoeibaar, zonder te dralen, het hoofd rechtop. Hij stelt de matigheid aan de kaak, het ongeloof, de lauwheid, en zegt namens God wat Hij moet zeggen, zoals de profeet Jeremia. En daar zit het hem dus ook in; het vergaat Hem net als de profeet Jeremia, die in de put beland omdat hij zegt wat hij moet zeggen.

Jeremia verkondigt dat Israël geen stand houdt tegen de vijand, omdat het Gods geboden heeft verwaarloosd. De Chaldeeën zullen de stad innemen. Dat staat het stadsbestuur tegen, zo ontmoedigt hij de soldaten. Het gaat hen er niet om of wat Jeremia zegt waar is of niet. Het past niet in hun plannen. Maar hun plannen zijn Gods plannen niet en Jeremia zegt wat hij moet zeggen.

Het zal Jezus hetzelfde vergaan. Hij zegt wat Hij moet zeggen en dat betekent dat de schijnbare vrede die er heerst zal ophouden te bestaan. Hij zal aan het licht brengen wat er in de harten omgaat. Zijn vuur zal verbranden wat geen inhoud heeft en zuiveren wat onzuiver is, tot het pure goud overblijft.

Schijnbare vrede is de vrede van het gemakkelijk goed hebben terwijl de waarden en normen gaandeweg worden uitgehold. Tegenover de schijnbare vrede staat de echte vrede, de vrede van God in het hart waardoor wij leven naar Gods bedoeling. Alle andere vrede is een schijnvrede. Wanneer we zo naar ons eigen land kijken is het maar de vraag of de volgende eeuw wel vreedzamer zal zijn dan deze eeuw die twee wereldoorlogen heeft gekend en tal van onlusten.

Hoe gaan wij met deze lezing om. Jezus verlangt dat ook in ons het vuur van zijn Geest oplaait, niet dat wij almaar over anderen moeten spreken, maar wel dat we mensen zijn die kritisch naar het eigen leven kijken en zich vurig voor God en de naaste inspannen. Onmin in de gezinnen is niet te vermijden, over het geloof kun je gemakkelijk ruzie maken. Je kunt het ook uitlokken, dat is het ene uiterste. Maar je kunt het ook verdoezelen, zwijgen om de lieve vrede, je mond niet meer open doen, zodat anderen denken dat het voor jou ook niets meer betekent.

Laten we in deze viering vragen dat wij zowel het vuur, alsook de wijsheid, het geduld, de tact, maar ook de radicaliteit van Jezus mogen verkrijgen. Om niet te verzinken in een schijnvrede die een geestelijke dood betekent, maar evenmin de onvrede bewerken die niet Gods bedoeling is. Dat we het doopsel van het lijden in het leven niet ontvluchten maar doormaken, omdat het nodig is voor Gods koninkrijk, voor onszelf, voor kinderen en kleinkinderen, voor ons land, voor de hele wereld. Amen.