Het geloof, de vaste grond

“Het geloof is een vaste grond van wat we hopen het overtuigt van de werkelijkheid van onzichtbare dingen” (Hebr. 11,11).

Oog voor het onzichtbare

De aandacht voor het onzichtbare is niet onze sterkste kant. Wat onzichtbaar is dat hopen wij zo vlug mogelijk zichtbaar te kunnen maken. De ruimtevaarder zoekt de voor ons onzichtbare kant van de maan en wil naar verre planeten. De fysicus probeert in de kwantum mechanica de natuur tot in haar allerkleinste deeltjes te doorgronden en stelt toch vast “dat we zelfs met ideale instrumenten onze kennis over de natuur nooit voor bij een bepaalde drempel kunnen drijven” (A. Dupré, De vreemde wereld van de kwantummechanica in Lessen voor de eenentwintigste eeuw).

De psychologie bestudeert het gedrag van mensen en ze kan toch niet verklaren wat haat en liefde zijn.

Het geloof dient niet om de ontbrekende schakel in het begrijpen van dingen en mensen aan te vullen. Het geeft een eigen kijk op de samenhang van het geheel en op onze band met het mysterie.

Niemand heeft God ooit gezien

Geloven is er méér in zien. Geloven helpt ons in onze zoektocht naar een zinvolle plaats in het geheel. Een christen bevindt zich in de lange joods-christelijke traditie van gelovigen, profeten en wijzen. Hij stapt in het spoor van het geloof van Abraham en Sarah, van Mozes en Myriam, van apostelen en heiligen van voorouders en ouders. Zij allen verwijzen naar een God die met mensen begaan is. Nochtans hebben zij, noch wij, God ooit gezien. “Nooit heeft iemand God aanschouwd’, zo staat het in de eerste Johannesbrief (1 Jo. 4,12). God is niet de slotsom van menselijke bewijzen en optellingen.

 “Gods wezen blijft voor ons steeds pure, nooit herhaalde verrassing. Daarom is God in wezen pure gratuïteit en kunnen we zijn bestaan met rationele argumenten nooit bewijzen…. Mensen zijn echter wel in staat om, zowel individueel als gemeenschappelijk, punten of plaatsen aan te wijzen waar het spreken over God redelijk verstaanbaar kan worden gemaakt en door en in die plaatsen ook worden opgeroepen. Maar gratuïteit als zodanig kun je per definitie nooit bewijzen. Zelfs een doorgewinterde wetenschapsmens zal dit moeten erkennen; de menselijke ratio heeft haar grenzen, ook in de wetenschap. We kunnen wel aantonen dat het rationeel verantwoord is voor de mens om over God te spreken en dat dit spreken op iets slaat: op werkelijkheid” (E. Schillebeeckx, Theologische Testament, p. 88-89).

“Niemand heeft God ooit gezien.” Ons spreken over Hem is een stamelen, dat groeit vanuit ons vragen naar het waarom van ons bestaan en vanuit ons zoeken naar het waarom van onze gedrevenheid. De christen ziet God niet als een heerser of een dwingeland, maar als degene die de mens in diens vrijheid eerbiedigt. God is groot en zwak in zijn liefde. Vanuit die liefde vordert hij ons op.

De weg langs Jezus en de Kerk

“Niemand heeft God ooit gezien.” Een christen vindt de toegang tot God langs en door Jezus. Jezus noemde God zijn Vader. Met de apostel Filippus luidt onze bede; “Heer, toon ons de Vader” (Joh. 14,8). Jezus antwoordde aan de apostel: “Wie mij ziet, ziet de Vader.” Jezus is de weg, mar tevens is hij zelfs reeds ver weg. Het is twintig eeuwen geleden. We hebben getuigenissen over die Jezus, maar Hem zelf zien we niet meer. Om hem te vinden, zijn we aangewezen op de Schriften, geschreven binnen de Kerk. De aanwezigheid van de verrezen Jezus is nu anders dan deze van zijn lijfelijke aanwezigheid in het Israël van de eerste eeuw.

“De menswording, de dood en de verrijzenis van Christus ernstig nemen, betekent (pijnlijk) aannemen dat Christus voortaan nog slechts zichtbaar aanraakbaar en vindbaar is in zijn Lichaam. Reeds bij Paulus (1 Kor.) heeft de uitdrukking ‘Lichaam van Christus’ een dubbele betekenis, nl. de gelovige gemeenschap en het eucharistisch brood. Alle verschijningsverhalen na de verrijzenis tonen aan hoe moeilijk het voor de leerlingen is die overgang te maken en af te zien van onbemiddeld Godscontact. De herhaling van de woorden ‘zien’, ‘aanraken’, ‘vinden’ en ‘vasthouden’ wijzen daarop. Maar telkens verdwijnt de verrezen Heer uit hun greep.

Vroeger had hij gezegd: ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’ Nu zegt hij: ‘Wie de armen ziet, ziet Mij; wie de Schriften leest, hoort Mij; wie eucharistie viert, ontmoet Mij.’ Dit is een eerste aspect van Gods anders-zijn. Hij is niet zichtbaar van ‘aangezicht tot gezicht’. Hij valt niet binnen de reikwijdte van menselijke zintuigen. Hij is slechts indirect ontmoetbaar via de Schriften (door iemand anders geschreven), in het ‘naakte gelaat van de medemens’ (Emmanuel Levinas) en in eucharistisch brood. De Heer moet worden ontcijferd in de interpretatie van de Schriften, in het ethisch engagement en in de celebrerende gemeenschap. Wie God onbemiddeld wil terugvinden, belandt respectievelijk in fundamentalistische exegese, militant fanatisme (bijvoorbeeld de vestiging van een theocratie) en een magische of extatische liturgie. Precies omdat de echte God niet binnen de menselijke ervaring ligt, is Hij nooit twijfel loos aantoonbaar en is geloofstwijfel steeds mogelijk’ (K. Depoortere, De crisis van het theïsme, in Lessen voor de eenentwintigste eeuw).

“Niemand heeft God gezien.” En toch geloven we in het geschenk van zijn heilige Geest. Deze is in het hart van de gelovige uitgestort. Hij bidt in ons. Hij stuwt en drijft. Hij is de ziel van de kerk. Hij wekt de liefde en bouwt de mensengemeenschap op. Maar de Geest zelf zien we niet. Hij is zoals de wind die we voelen, mar niet zien. Zoals de Vader en zoals de Verrezen Heer Jezus behoort de Geest tot de wereld van het onzichtbare. Het geloof overtuigt ons van zijn werkelijkheid.

De droom van het heil

De Kerk, binnen dewelke wij ons geloof in de Vader, in zijn Zoon Jezus Christus en in de heilige Geest uitspreken, die Kerk heeft zelf een onzichtbare kant. Ze is meer dan instelling en organisatie. In haar zijn er mensen die bidden, die God loven en de mens dienen. Ze houdt in ons de droom van God voor de toekomst en het mensdom levendig. Jezus, de gezant van God, wou heil en verlossing brengen. Wat dit inhoudt, reikt verder dan het zichtbare. “Wat uiteindelijk die complete, definitieve of eschatologische ‘heil’ van en voor de mens zal zijn, overstijgt onze rationele en verifieerbare begrippen” (E. Schillebeeckx).

De joods-christelijke traditie gebruikt beelden om ons in de richting te zetten van Gods grote droom. Het zijn beelden zoals rijk Gods, verrijzenis van het lichaam, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de doorbraak van Gods definitieve dag bij de parousie, bij de wederkomt van Jezus Christus.

De toekomst is uiteraard onzichtbaar, maar de aanzet is nu reeds gegeven. Vanuit het geloof vinden we in deze toekomst een kracht om ons nu reeds op weg te begeven. Wat we hopen is door het geloof reeds nu geschonken. Het geloof is een manier om nu reeds te bezitten wat we hopen; het is een middel om werkelijkheden te vatten die we niet zien (ctr. Hebr. 11,1). De vier aangehaalde beeldspraken beïnvloeden nu reeds het handelen van de gelovigen.

“Door de aan deze metaforiek eigen dynamiek oriënteren deze toekomstbeelden het handelen van christenen in een zeer bepaalde richting, in de richting van een menselijk handelen voor meer rechtvaardigheid, vrede en integriteit van heel de schepping, wat ook een maatschappelijke verbetering impliceert voor allen, maar vooral voor de uitgestotenen, de stemlozen en gemarginaliseerde mensen; voor de geslagene door het leven. Ook in de richting van de pastorale zorg voor communicatie onder de mensen, in de zin van een nooit aflatende kritiek op cultuur en maatschappij, waar deze structuren mensen krenken en overal waar het onrecht zich breed maakt onder ons. In de richting ook van zorg voor het menselijk lichaam en de psychische geestelijke gezondheid van man en vrouw in onze samenleving. In de richting ook van onze verschroeide aarde als leefmilieu van al wat groeit en bloeit, tot leven komt en ademt. Zorg ook voor de zuiverheid en de kracht van wat men noemt de ‘goddelijke deugden’: geloof, hoop en liefde. Zorg bovendien voor een zinvolle, biddende liturgie en voor waarlijk-menselijk zinvolle sacramentele vieringen van de geloofsgemeenschap. Zorg voor de spiritualiteit en gebedscultuur. Tenslotte zorg voor het individueel pastoraat, in het bijzonder met betrekking tot eenzame mensen en ‘allen die geen hoop meer hebben’ (1 Tess. 4, 13) (E. Schillebeeckx, Theologisch Testament, p. 135).

Het geloof van de oudsten

Abraham en Sara, een bejaard nomadenkoppel, geloofden in de God van de beloften. “Uit Oer is hij getogen, aartsvader Abraham, om voortaan te geloven in ’t land van Kanaän, om voortaan als een blinde te zien, een donker licht, om voortaan helderziende te zijn op God gericht” (ZJ 322). Met het voorbeeld van Abraham en Sarah wil de schrijver van de brief aan de Hebreeën zijn lezers uit de jonge christenheid bemoedigen. Deze waren geneigd achterom te kijken. Ze dreigden te wankelen in hun trouw aan Christus. De doorbraak van Christus liet immers op zich wachten. Waarom dan niet terugkeren tot het oude? Abraham en Sarah zetten in hun tijd de stap niet achteruit. Zij lieten zich leiden door de God van de belofte. Hun geloof is een spoorslag voor de lezers van de Hebreeënbrief om verder te gaan op weg met de Verrezen Christus. We staan met ons geloof in de traditie van hen die ons zijn voorgegaan. Wij beseffen niettemin dat we in een industriële en postindustriële tijd voor ander uitdagingen staan als mensen in de agrarische tijd, dat we in vredestijd anders spreken, denken en handelen dan in oorlogstijd.

Dominee Bonhoeffer (overleden op 9 april 1945) nam deel aan de mislukte samenzwering tegen Hitler. In de gevangenis dacht hij na over de toekomst van het geloof. In de bundel Verzet en overgave wijst hij op de band tussen generaties. “Wij zijn opgegroeid met de ervaring van onze ouders en grootouders, dat een mens zijn leven zelf kan en moet ontwerpen en uitbouwen, dat de mens zich een levensdoel kiest en zal zijn krachten daarvoor in moet zetten en dat ook kan. Maar we zijn tot de bevinding gekomen dat we zelf geen plan kunnen maken voor de komende dag, dat ’s nachts verwoest wordt wat we bouwden overdag, dat ons leven in tegenstelling met dat van onze ouders zonder gestalte is, fragmentarisch.

Toch moet ik zeggen dat ik in geen andere tijd zou willen leven dan de onze, al laat hij weinig ruimte voor uiterlijk geluk. Duidelijker dan in andere tijden zien we dat de wereld rust in Gods toornige en genadige handen.

Onze generatie zal niet tot taak hebben nog eens ‘grote dingen te zoeken’, maar onze ziel te redden uit de chaos, ze te behoeden als het enige dat we als ‘buit’ konden wegdragen uit het brandend huis. We zullen ons leven meer verduren dan het gestalte geven, meer hopen dan beramen, meer volharden dan vorderen. Maar we willen voor jullie jongeren de ziel bewaren, uit haar kracht zullen jullie een nieuw en beter leven ontwerpen en bouwen” (Bonhoeffer-brevier, p. 439-440).

Wegwijzers voor elkaar

Geloven, dit is gaan staan in de traditie van mensen die geloofden. Het is tevens dit geloof persoonlijk opnemen en het tot een persoonlijke daad laten uitgroeien.

Medemensen uit vroegere generaties en tijdgenoten kunnen me helpen op weg naar het geloof, zoals ik zelf een invloed heb op anderen. Wij en zij waren en zijn vreemdelingen en passanten op deze aarde. eenvoudige christenen, die behoren tot die kleine kudde uit het evangelie. Zij hebben hun lenden omgord met een schort van dienstbaarheid en zij staan klaar met brandende lampen in de hand (Lc. 12, 32-48). Zij hebben dikwijls met een zeer beschikbaar hart het evangelie beluisterd en bewaard. Een aantal onder hen werken samen met andersdenkenden aan het bevorderen van menselijke waarden.

Vanuit het geloof bouwen aan een Stad.

Samen met Abraham en Sara en met zovelen zien wij uit naar de stad, waarvan God de ontwerper en de bouwer is.

In de encycliek over het geloof die paus Franciscus samen met zijn voorganger paus Benedictus heeft geschreven is het gedachtegoed van de brief aan de Hebreeën ruim aanwezig, vooral in het vierde hoofdstuk (Lumen Fidei, 50-51).Zij schrijven: “Bij de voorstelling van de geschiedenis van de aartsvaders en rechtvaardigen uit het Oude Testament haalt de Brief aan de Hebreeën een wezenlijk aspect van hun geloof naar voren. Hun geloof wordt niet enkel gepresenteerd als een weg, maar ook als een bouwwerk, als de voorbereiding van een plaats, waar de mens tezamen met anderen kan wonen. De eerste die bouwt is Noach, die in de ark zijn familie kan redden.

Dan verschijnt Abraham, van wie gezegd wordt dat hij vanwege zijn geloof in tenten woonde, omdat hij uitzag naar de stad met vaste fundamenten (vgl. Hebr. 11,9-10). Zo ontstaat vanuit het geloof een nieuwe betrouwbaarheid, een nieuwe zekerheid die alleen God kan geven. Wanneer de gelovige mens bouwt op God die het ‘Amen’ is (vgl. Jes. 65,16), krijgt hij zelf ook zekerheid. We kunnen hieraan toevoegen dat de zekerheid van het geloof ook betrekking heeft op de stad die God voor de mensen bereidt. Het geloof openbaart hoe stevig de banden tussen mensen kunnen zijn, wanneer God in hun midden tegenwoordig is. Het geloof wekt niet enkel een innerlijke stevigheid, een vaste geloofsovertuiging; het verlicht ook de intermenselijke relaties, omdat het uit de liefde voortkomt en de dynamiek van Gods liefde volgt. God die betrouwbaar is, geeft de mensen een veilige stad.” “De handen van het geloof heffen zich ten hemel, maar bouwen tegelijk in naastenliefde een stad op. Deze stad is gegrondvest op relaties, die gefundeerd zijn op de liefde van God.”