Nu of nooit (2013)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

NOTARIS

Twee mannen maken ruzie na de begrafenis van hun vader. Dat komt nogal eens voor. In de kindertijd al was er een rivaliteit tussen de broers. Wie is de sterkste? Wie wordt het meest bemind door moeder? Op wie is vader het meeste trots? Vader en moeder hadden misschien stiekem een voorkeur voor een van de kinderen. Als de strijd rond de erfenis losbarst, kun je er de kinderen niet altijd op aankijken! Jezus gold als een kenner van de wet. Daarom wendt een erfgenaam zich tot hem: ‘Zeg tegen mijn oudste broer dat hij mij m’n erfdeel geeft. Ik heb ook een gezin; ik heb ook schulden!’
 
PROFEET
Jezus wijst de hem toebedeelde rol van wetgeleerde af. Hij wil niet de scheidsrechter zijn tussen mensen die kibbelen over geld. Jezus wil de profeet zijn die ons geluk op het oog heeft. Daarom zegt hij klaar en duidelijk dat bezittingen niet de zin van het bestaan zijn. Stel je voor, dat je je hele leven gespaard hebt; dat je je geld hebt belegd in een vakantiepark in Spanje. Je hebt er krom voor gelegen en je getroost met de gedachte dat je straks gelukkig zult zijn. Maar straks ben je oud; je kunt niet meer lopen; je ziet slecht en hoort niets meer; je wordt depressief en stoot de mensen van je af. Tenslotte vinden ze je dood in bed!
 
ZONDAGSKIND
En als je nou eens níet was gestorven. Stel, dat er een wonder was geschied; dat de man was gestopt met het bouwen van schuren; hij was opnieuw verliefd geworden... Op zekere dag zegt hij tegen zichzelf: het wordt tijd dat ik ga genieten! Hij verkoopt zijn voorraad en gaat op vakantie. Naar Cecarea bijvoorbeeld, aan zee. Hij drinkt een goed glas wijn en koopt liefde in de haven. Is hij dan gelukkig? Hij verhuist naar Jeruzalem; laat zich een paleis bouwen en zit aan een rijke tafel, omringd door profiteurs... is hij dan gelukkig? Om gelukkig te zijn is iets heel anders nodig, namelijk de kúnst om gelukkig te zijn en die heeft niets te maken met bezit. Zelfs niet met gezondheid. Veel arme en zieke mensen zijn intens gelukkig.
 
KIND VAN GOD
Ik kan u dit verzekeren - en ik denk dat ik spreek in Jezus’ geest: als u op dit ogenblik, hier en nu, niet gelukkig kunt zijn, dan bent u het later, ergens anders, ook niet. Ook niet als u gepensioneerd bent of uitgekuurd, of opnieuw getrouwd of opa geworden of moeder, of je rij-examen hebt. Het geluk is nu om ons heen, binnen handbereik. Besef dat. Voel dat! Wij bestaan hier en nu. We hoeven niet op een wonder te wachten. We zíjn het wonder. We hebben onszelf niet bedacht; we hebben het bestaan niet verdiend. Het leven is pure genade. We zijn uit liefde geboren. Wij zijn Gods lief kind, niet meer en niet minder. We hoeven niets bijzonders te presteren. We hoeven er slechts van te genieten dat we bestaan! Het evangelie van vandaag is een les tegen de angst. De koopman uit de parabel wordt niet gedreven door plezier in het verzamelen, of door de vreugde om veel graan. Het is angst die hem schuren doet bouwen. Deze brengen de angst eventjes tot zwijgen, maar ze vergroten hem tegelijkertijd. Hij heeft er steeds meer nodig en zal nooit meer rustig slapen. Kinderen: als je nu gelukkig kunt zijn..., hier in de kerk, met het licht in de gekleurde ramen, naast pappa of mamma... dan kun je het later ook in een Alfa Romeo! Jonge mensen: als je nu gelukkig bent, hier tussen mensen die om je geven en je met warme belangstelling volgen, dan ben je het straks misschien ook als je achter de computer je vriendje de weg afsnijdt. Natuurlijk willen we ook een appel voor de dorst. Maar aan die zorgen gaat iets vooraf: het vermogen om te ademen en de wind te voelen door je haar of over je kale hoofd, en dankbaar te zijn omdat je bestaat. Om kind van God te zijn, geboren uit licht.
 
BOLLE WANGEN
Lieve kinderen. Wangetje was weg. Wangetje was de hamster van Willemijn. Willemijn had gister de kooi niet afgesloten. Nerveus trok Wangetje de grote wereld in! Ze had zich in de keuken achter de container verstopt, en toen de buitendeur openstond was zij weggeglipt. Wangetje begon achter de rozen een lange gang te graven. Wel anderhalve meter diep de grond in. Er kwamen in de steile gang ook kamertjes. Twee waren bedoeld als w.c. En twee werden slaapkamer; daar kwamen zachte grassprietjes in. Toen groef ze vier kamers om eten te bewaren. Wangetje begreep dat ze zelf voor eten moest zorgen. Straks zou het winter worden; ze zou diep slapen in de koude grond. Wangetje ging op pad. De hele dag zocht ze graantjes en vulde daar haar wangen mee om ze thuis in de voorraadkamers te stoppen. Op het laatste had ze bijna 10 kilo voer. Maar ze was bang. Stel je voor dat het een hele lange winter werd. Stel je voor dat er een vos vlakbij de rozenstruik kwam wonen. Stel je voor dat ze zich in het voorjaar zou verslapen! Na drie weken had ze vijf nieuwe kamers gebouwd en volgepropt. Ze had 26 kilo eten, genoeg voor drie families. Ze hijgde en rende angstig rond. Ineens zag ze een schoteltje staan achter de jasmijn. Het was vol graantjes. Te mooi om waar te zijn. Ze trippelde naar het schoteltje en toen werd het pikdonker. Daar had je het al: een boze vos...! Maar het was geen vos. Willemijn had niet stilgezeten. Met een bord koren probeerde ze al de hele week Wangetje te vangen. Ze wist wel dat ze haar kon vangen met een schoteltje graan. Voor een voorraadje riskeerde Wangetje alles. Wangetje zat weer gevangen in haar kooi en droomde over een diepe gang in de tuin met twee w.c.’s en twee slaapkamers en wel negen voorraadkamers, propvol, tegen de angst voor een lange winter...