Er zijn armen en rijken onder U!

18e zondag door het jaar Cyclus C Lucas12, 13-21

 

Er zijn armen en rijken onder u!

 

Beste vrienden,

 

Er zijn van die dingen die helemaal niet samen gaan, ze staan tegenover elkaar als kat en hond en zijn zo tegengesteld als water en vuur. Voor sommige mensen vinden een dergelijke tegenstelling in Kerk en carrière. Economische groei, vooruitgang en religie, Kerk en carrière, die staan toch als kat en hond tegenover elkaar. Die mening is vandaag de dag toch sterk verbreid. En het lijkt alsof de woorden uit de H. schrift die we vandaag hebben gelezen lijken dat ook nog eens willen onderlijnen. Stel dat God werkelijk iets tegen vooruitgang en groei zou hebben. Dan zou de mens er nog bijna voor gestraft worden dat hij niets anders heeft gedaan dan zich, economisch gezien, gewoon verstandig te gedragen.

Wat had die rijke boer uit het evangelie dan toch zo verkeerd gedaan? Had hij niet juist datgene gedaan wat het normaalste van de wereld is? De meesten onder ons zouden toch juist hetzelfde doen. Bijna iedereen onder ons zou toch ook zeggen: “Ik heb er tenslotte hard voor gewerkt, ik heb er dag en nacht voor gezwoegd om dat allemaal bij elkaar te krijgen. Ik heb mezelf geen rust gegund en dag en nacht op het bedrijf gewerkt. Dan is het toch niet meer dan normaal dat ik nu van de vruchten van mijn arbeid wil genieten. – tenslotte zijn het toch ook mijn vruchten!”

Zo redeneren toch de meesten onder ons, en onze maatschappij geeft hen volmondig gelijk. Prestatie moet worden beloond! De wereld behoort aan de vlijtigen!

"Wacht even!" spreekt de Heer, “De wereld behoort helemaal niet toe aan de vlijtigen” De wereld behoort aan God alleen!

Dat is misschien de enige inschattingsfout die onze boer heeft gemaakt. De wereld behoort aan God, en wat Hij ons ervan overdraagt vertrouwt Hij ons toe, Hij heeft die wereld van in het begin in onze hand gelegd. Hij heeft de mens in Zijn tuin gezet om de grond te bewerken. Zo staat het opgetekend in het scheppingsverhaal. Hij geeft ons het stuk wereld waarop Hij ons zet te leen en geeft ons ook nog de tijd om er iets van te maken.

Hij laat ons die wereld vorm geven en de tijd vol benutten. Hij vertrouwt ons de wereld toe. Hij vertrouwt ons. En opdat we dat vertrouwen ook zouden kunnen rechtvaardigen, geeft Hij ons alles mee wat we nodig hebben om succes te hebben, alles wat we nodig hebben om de wereld vorm te geven en de ons toegemeten tijd goed te benutten. Hij geeft ons de talenten waarmee we kunnen woekeren en die we voor onze werking nodig hebben. En Hij geeft ons ook het geluk en vooral zijn zegen, zonder de welke niets kan lukken.

Daarom kan je niet zeggen: “Ik heb het door mijn arbeid verworven” – Van wie heb je de kracht daartoe ontvangen? Wie heeft het zaad, dat jij gezaaid hebt, doen ontkiemen? Wie liet de oogst tot rijpheid komen? En vooral: Waarom? Misschien wel omdat de oogst van je buurman om één of andere reden mislukt is! Misschien omdat je andere buurman niet heeft kunnen zaaien omdat zijn zaaigraan werd gestolen! Die God die gezegd heeft dat het niet goed voor de mens is om alleen te zijn, die God geeft nooit alleen om mijnentwil. Hij is wel altijd en overal met zijn zorgende liefde om mij heen, maar Zijn blik is wel steeds gericht op mij, maar altijd samen met anderen.

Dat was de fout die de boer uit de parabel heeft begaan, daar heeft hij zich schuldig gemaakt. Wie alleen zichzelf ziet, wie denkt dat alle inspanningen alleen maar voor zichzelf lonend moeten zijn, die houdt met God geen rekening. “Dwaas, nog deze nacht eis ik van jou terug wat ik je heb toevertrouwd.”

God heeft helemaal niets tegen vooruitgang en groei, integendeel. Hij is het toch die de tijd laat vooruitgaan en die het groeiprincipe in de natuur heeft verankerd. Maar God is wel tegen het soort van groei en vooruitgang waarbij de anderen uit het oog worden verloren. Hij wil dat wij vooruitgang boeken. Hij wil dat wij groeien. Maar Hij wil ook dat wij dat verantwoordelijk doen, in verantwoordelijkheid tegenover Hem en voor tegenover al onze medemensen.

Onder jullie zijn er armen en ook rijken. De boer uit het evangelie had de armen al helemaal uit het oog verloren, over hen wordt in de Schriftlezing zelfs niet meer gesproken. Ik vrees dat ze ook onder ons binnenkort niet meer te vinden zullen zijn. Degenen die aan de rand staan, die de cadans van het moderne leven niet meer kunnen volgen, de uitgestotenen, die kunnen zich ook in onze kerken dikwijls niet meer thuis voelen. In het licht van het evangelie moet dat bij ons toch een duidelijk alarmsignaal doen klinken.

Wij Christenen moeten in onze maatschappij een andere soort van groei en vooruitgang propageren. Wij moeten er voor zorgen dat onze maatschappij in het komende jaar minstens een groei van 3% kent. Maar dan wel 3% meer medegevoel en solidariteit, minstens 3% meer echte interesse en aandacht voor de anderen, 3% meer begrip voor diegenen die de hoge prestatiegraad van onze moderne maatschappij niet meer aankunnen en 3% meer echte onderlinge hulp.

Laten wij christenen zorgen voor een groei die er zich van bewust is dat deze God onze prestaties alleen daarom met zijn genade begeleidt, omdat Hij reeds vanaf het begin de sociale verplichtingen die onze rijkdom met zich meebrengt, ingecalculeerd heeft. Prestatie moet altijd worden beloond, maar niet alleen voor diegenen die presteren, ze moet zich lonen voor iedereen.

3 % is niet veel. Als we het werkelijk willen, kunnen we dat doel gemakkelijk bereiken. Laat ons heel concreet hier, in onze gemeente, voor die vooruitgang zorgen en laten we onze voorraadschuren met die groei vullen. Dan ben ik ervan overtuigd dat God ons iets heel anders zal toeroepen dan:”Ik eis je leven terug van je op.” Ik ben ervan overtuigd dat Hij ons zal toeroepen: “Jullie zijn goed bezig, jullie zijn op de goede weg, de weg van overvloedig leven.

Amen.