Evangelieprikje 2016

We lezen het in veel boeken, we zien het in zowat elke film of TV-serie: de sleutel tot een goede relatie is kunnen spreken met elkaar.  Op het moment dat je iets niet meer kan uitpraten of erger nog: als je het niet meer kan opbrengen om te luisteren is er een relatiecrisis. Elk mens begrijpt dat, maar elk mens begrijpt ook dat dit niet altijd even eenvoudig is. Als een goed gesprek belangrijk is voor een relatie tussen mensen, dan lijkt het me logisch dat het ook belangrijk is in de relatie tussen God en mens. Hoe logisch ik dat ook moge vinden, ik weet dat velen het niet met me eens zijn, want … en dan volgen er heel wat moeilijkheden: je ziet God niet, je hoort God niet, Hij antwoordt niet, … Komt daarbij dat voor heel wat mensen -  helaas ook voor sommige gelovigen ook – heeft geloven niks te maken met een relatie.  In het evangelie van vandaag gaat het over bidden en lijkt het me toch wel duidelijk dat ook Jezus geloven ziet als een relatie aangaan met. Uit gans het evangelie blijkt trouwens dat Hij daar kracht en moed uithaalt om te doen wat moet gedaan worden.

Het evangelie begint met een vraag van de leerlingen van Jezus, zij willen dat Hij hen leert bidden. Zoals ouders hun  kinderen laten spreken, zo wordt aan Jezus gevraagd dat Hij Zijn leerlingen leert spreken met God. Eén van de eerste woordjes die een kind uitspreekt is mama en/of papa, zo moet je ook beginnen bidden. Het woord dat men hier voor vader gebruikt is Abba, een koosnaam voor de peetvader van de familie maar ook een koosnaampje van een kind voor zijn vader. Het gebed dat Jezus zijn leerlingen leert begint dus met een woord dat zowel respect als tederheid uitdrukt.  We kunnen lang discussiëren over de vraag of God mannelijk of vrouwelijk is, een echt antwoord zullen we nooit hebben. We gebruiken “vader” omdat dit geschreven is in en voor een patriarchale samenleving. Wat volgt zijn enkele beden voor God en enkele beden voor onszelf. Over het Onzevader is veel te zeggen, ik beperk me tot een paar vaststellingen. De aanspreking die Jezus ons laat gebruiken is niet hoog verheven, integendeel, het is kinderlijk eenvoudig. Het toont meteen ook aan hoe Jezus de relatie mens-God ziet: als een relatie tussen een ouder en een kind. De beden voor God zijn eigenlijk ook beden voor de mens, want het is goed leven als Gods naam heil en genezing brengt in plaats van oorlog en terreur en waar het koninkrijk van God concreet wordt. In het tweede gedeelte van het gebed wordt gevraagd dat we alles zouden krijgen wat we nodig hebben en dat God ons onze zonden wil vergeven.     

Wat volgt is bijzonder. Jezus probeert Zijn leerlingen duidelijk te maken dat God Zijn heilige Geest zal schenken aan wie er om vraagt, dat God geen vraag onbeantwoord laat. Dat is iets waar de modale eenentwintigeeuwse mens het moeilijk mee heeft. Nochtans weten we allemaal hoe verhelderend en heilzaam een goed gesprek kan zijn, dat liefde van onze ouders niet altijd betekent dat we onze zin krijgen, … alleen wordt dat heel moeilijk blijkbaar als God in het spel komt. Nochtans is dat één van de dingen die altijd een belangrijke plaats innemen in het leven van een heilige. Voor hen is het gebed een tweede adem. Het betekent niet dat ook zij niet hun deel van het lijden en tegenslag op hun weg krijgen. Het betekent wel dat ze voelen dat ze dit niet alleen moeten dragen, en dat ze die last kunnen toevertrouwen aan God. Om die kracht uit je gebed te halen, is veel oefening nodig. Het lijkt me dan ook waardevol om daar een plaatsje voor te voorzien in onze overdrukke agenda, hoe drukker de agenda, hoe meer ruimte voor gebed en stilte er nodig is. Bidden kan gewoon beginnen met luisteren … luisteren naar de stilte, naar wat leeft diep in je hart, naar wat God je te vertellen heeft in de Bijbel of in de alledaagse gebeurtenissen. Na dat luisteren kunnen we met heel eenvoudige woorden spreken met God, gelovend – daar zijn inderdaad geen bewijzen voor – dat Hij luistert.