De heilige Geest, het geschenk van de Vader, (Lc. 10,13)

Biddende mensen wekken het verlangen naar gebed. Jezus was een biddend man. Hij heeft vaak zijn leerlingen en zijn omgeving verrast door de aandacht voor het gebed. Zij waren getroffen dat hij zich terugtrok in de eenzaamheid om te bidden, zelfs wanneer veel mensen hem nodig hadden en opzochten (Lc. 4,42; Lc. 5,15-16). Hij had vooraf gebeden toen hij de groep van de twaalf zou aanstellen (Lc. 6,12) en die keer toen hij hen polste naar zijn identiteit en hen zou spreken over zijn lijden (Lc. 9-22).

Als kind van Joodse ouders had hij van hen het bidden meegekregen. Zij hadden hem in de tempel opgedragen (Lc. 2,22) en hem bij zijn twaalf jaar naar Jeruzalem meegenomen (Lc. 2,41). Als jood had hij de gewoonte op sabbatdag naar de synagoog te gaan in Nazareth (Lc. 4,16). Jezus had contact opgenomen met Johannes, die in de streek van de Jordaan een doopsel predikte tot vergeving van zonden (Lc. 3,3). Daar had Jezus zich laten dopen en terwijl hij in gebed was, hoorde hij de stem die sprak: “Gij zijt mijn zoon,de welbeminde.” Een ervaring die vanaf die dag ongetwijfeld aan zijn gebed nog meer diepte heeft gegeven (Lc. 3,21-22).

Maanden later nam hij Petrus, Johannes en Jakobus mee en besteeg hij met hen een berg om er te bidden. Alweer klonk daar een stem: “Deze is mijn zoon, de Uitverkorene.” (Lc. 9,35). Hebben de leerlingen daar gesnapt wat bidden voor Jezus betekende en hoe ze zelf zouden moeten bidden? Het duurde nog enkele weken of maanden aleer zij aan Jezus de vraag stellen: “leer ons bidden” (11,1). Guido Gezelle was hen voor met zijn vraag: “Leer mij hoe ik bidden moet.” 

Gij badt op enen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen,
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O, leer mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Nadat Jezus met zijn leerlingen weggetrokken was uit Galilea, kwam Jeruzalem geleidelijk in zicht. De groep van de twaalf was aangevuld met een groep van 72 anderen. Jezus krijgt tegenwind in steden de hem niet opnemen (Lc. 10,13). Toch mag hij jubelen wanneer kleinen open staan voor wat de Vader door hem laat gebeuren. Het gebed van Jezus is er een van lof en dank: “Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde” (Lc. 10,21-23).

Door bij Jezus te zijn en hem te zien bidden, is geleidelijk bij hen het verlangen gegroeid om zelf zo te bidden. Een van de leerlingen durft dit verlangen verwoorden: “Leer ons bidden” (Lc. 11,1). Het verwondert dat deze leerling daarvoor verwijst naar Johannes en niet vraagt: Heer, leer ons bidden zoals gij bidt. Wij krijgen daarop dit sober gebed, zonder al te veel woorden. Bij Lucas bevat het vijf beden, bij Matteüs twee meer. Het wordt ons gegeven om rustig te bidden. Bidden is niet voor de spiegel gaan staan. Het is zich richten naar God en naar Hem gaan met de zorgen en beden van alle mensen. Een aantal mensen bidden het Onzevader met geopende handen, omdat ze ontvankelijk willen staan. Het Onzevader is een onmisbaar element in de eucharistie, waar we het met schroom ‘durven’ bidden.

Wij spreken God aan als een Gij, als een Vader. We doen het in verbondenheid met Jezus, die zo vaak tot zijn Vader heeft gebeden. Wanneer het lijden kwam, bleef hij bidden op de Olijfberg: “Vader, als ge wilt laat deze beker voorbijgaan” (Lc. 22,42). Op het kruis waren zijn laatste woorden: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest” (23,44).

God onze Vader, Hij maakt ons tot broer en zus van velen. Het Onzevader is een oecumenisch gebed. Pas dan houden we op broeders en zussen te zijn wanneer wij ophouden het Onzevader te bidden (Sint Augustinus).

De naam is persoonlijk. Hij vraagt om eerbied. Je eert een mens met zijn naam uit te spreken zoals hij of zij hem liefst horen. God maakte aan Mozes zijn naam bekend en verzekerde daarmee zijn aanwezigheid onder zijn volk. .

We bidden voor het komen van Gods Rijk. We hebben daarvan geen definitie. Het is waar God God mag zijn en gerechtigheid vrede brengt. “Het Rijk Gods is midden onder u”, zegt Jezus (Lc. 17,21). We zingen het graag: The kingdom of God is justice and peace and joy in the holy Spirit (Rom. 14,17). Het Rijk Gods is toekomst, maar we kregen ervan een voorsmaak tijdens het paasmaal bij het drinken van de Beker (Lc. 22,18. 29-30). De berouwvolle moordenaar vraagt Jezus hem in het koninkrijk niet te vergeten (Lc. 23, 42).

Jezus laat zijn vrienden bidden voor de noden van elke dag, om brood dat zo nodig is. Aan het volk in de woestijn gaf God het manna. We hebben meer nodig. We hebben nood aan voedsel en drank, aan kledij en beschutting. Jezus ontkent dit niet, maar hij maakt dit alles ondergeschikt aan de grote prioriteit eerst het Rijk Gods te zoeken (Lc. 12, 31). Zoals de andere evangelisten bracht Lucas het verhaal dat Jezus met vijf broden en twee vissen een grote menigte kan verzadigen (Lc. 9,11-17).

Jezus heeft in zijn contact met mensen hun diepere kwetsuren gekend, hun zonden en het kwaad dat ze elkaar aandoen, de schuld die knaagt. Hij wekt in mensen hun verlangen naar heelheid, verzoening en vergeving. Het is de volgende bede in het Onzevader: vergeef ons onze zonden. Een vergeving die verbonden is met inzet en zorg om anderen hun schuld te vergeven. Het is een vergeving in wederkerigheid. “Het zelfbegrip van een christen is duidelijk bepaald door de thematiek van de vergeving van de zonden” (B. Standaert, Alfabet van een monnik, p. 239). Jezus verzekert dat er vergeving is wanneer een broeder heeft misdaan (Lc. 17,4). Hij zelf bidt op het kruis: “Vader, vergeef hun” (Lc. 23,34). Jezus was gekomen om te redden wat verloren is (Lc. 15; 19.10).

De laatste bede in het Onzevader bij Lucas is de vrijwaring van bekoring. Jezus had tijdens zijn verblijf in de woestijn aangevoeld hoe hij kon beproefd worden, hoe de drang naar macht, eer en bezit hem van zijn zending zou kunnen afleiden (Lc. 4, 1-13). Mensen vallen af bij beproeving (Lc. 8,13). Hij vreesde voor zijn leerlingen dat beproevingen te zwaar zouden zijn (Lc. 22,40). Zo heeft hij voor Petrus gebeden dat zijn geloof niet zou bezwijken (Lc. 22,32). Het Onzevader is een gebed dat Jezus gaf aan zijn leerlingen en schreef vanuit zijn eigen leven.

Hij dringt aan dat ze niet moe worden te zoeken, te kloppen en te vragen. Wie blijft vragen ontvangt van de Vader de heilige Geest (Lc. 11, 13). Jezus blijft wijzen op de noodzaak van een volhardend gebed. “Hij leerde hun dat ze steeds moesten bidden en daarin niet mochten versagen” (Lc. 18, 1). Met het gebed van de tollenaar geeft hij aan dat een kort en oprecht gebed het meeste uithaalt. God wees mij zondaar genadig” (Lc. 18, 14). “Il faut mieux mettre ton coeur dans la prière sans trouver de paroles que de trouver des paroles sans mettre ton cœur.

Het gebed hoort bij het christen zijn. Het Onzevader is daarin een schitterende parel. De bezinning over het Onzevader is het sluitstuk van de KKK. Het pausbezoek aan België in 1985 stond onder het motto van het Onzevader.

Bij Kadoc verscheen een interessante studie van Bart Latré, Strijd & Inkeer, de kerk- en maatschappijkritische beweging in Vlaanderen 1958-1990. Hij toont waarover er is gedroomd, waarvoor is gestreden, waarin is overdreven, wat vrucht heeft gedragen. Hij verwijst in zijn overzicht naar alternatieve lezingen van het Onzevader, o.a. vanuit feministische hoek en vanuit een materialistische Bijbellezing. Deze bekritiseert de traditionele uitleg van het Onzevader met een ‘universalistisch mensbeeld’ waar “klasse, sexe- en rassentegenstelling worden opgeheven en/of verdoezeld.” Dit maakte van het Onzevader “een ongevaarlijk gebed dat zich bij een onvolmaakte samenleving en bij een ongelijk verdeelde wereld neerlegt!” In de eerste christelijke gemeenschappen waarin het gebed was ontstaan, waren volgens deze critici geen schuldenaars en schuldeisers meer. Ze interpreteren de oproep tot het kwijtschelden van schulden in strikte sociaaleconomische termen, als een aanklacht tegen het kapitalisme, dat als systeem gebouwd is op schuldverhoudingen. Remi Verwimp (1945-2009) noemde in een tekst die hij schreef voor de Kritische Werkgroep Pausbezoek het Onzevader “het clandestiene gebed van de oerkristelijke gemeenten, die in het Romeinse Rijk als illegaal werden beschouwd en vervolgd. Het was een gebed waarin mensen opkwamen voor een nieuwe orde en een nieuwe samenleving. Daarom was het een veroordeling van de heersende orde en de onderdrukkende machten.”

We mogen en kunnen dit gebed niet achteloos bidden. Daarop wijst M. Bellet in Niemand heeft ooit God gezien. Daaruit dit citaat: “Wanneer we bidden, moeten we minstens nagaan aan welke voorwaarden gebed dient te beantwoorden om niet gevangen te raken in dubbelzinnigheid. Want pas in de bevrijding daarvan komt echt bidden tot zijn recht. Het lijkt een taak zonder eind, een opdracht die op heel de mens inwerkt en hem helemaal in beslag neemt. Het gebed is de plaats van het vragen, van de angst, het berouw, de hoop, de jubel. Het is de plaats van alle gevaren, mateloos vergroot, want alles wordt er in God geworpen. Meer bepaald is het vragen – dit wil zeggen het verlangen – zonder twijfel de eigen beweging van het gebed, en misschien wel zijn ultieme beweging. Zie maar naar het Onze Vader! Het gebed uitzuiveren betekent daarom het verlangen uitzuiveren, tot het aansluit bij Gods wil. Maar wat is er nu meer verdacht dan met die ‘wil’? Hij heeft alle vormen van macht gediend en alle vormen van masochisme aangemoedigd.

Uitzuiveren, uitzuiveren. Dat betekent: ertoe komen God af te bouwen, in de mate dat hij ‘mijn’ God is of de onze. Ook de meest rechtgelovige mystieken weten dat. Tot God naderen betekent hem ver houden van alles wat wij zelf gebouwd hebben: de ware Tempel is altijd elders. Hij is de Adem waarvan je niet weet waar hij vandaan komt noch waarheen hij gaat?” (M. Bellet, Niemand heeft ooit God gezien, p. 70-71)

 Het Onzevader is minder eenvoudig als op het eerste zicht lijkt.