Vijftiende zondag door het jaar (2007)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden

Dit evangelieverhaal geeft ons een kijkje in twee verschillende werelden. Aan de ene kant de wereld van de fairizeeën, de geleerden van die tijd, de wereld van wetten en regels, van dogma's en strikvragen, de wereld waarin veel dure woorden gebruikt worden, woorden die de gewone mens in zijn dagelijks leven echt niet raken.
Aan de andere kant de wereld van Jezus, de wereld waarin het rijk van God gestalte krijgt. Geen hoogdravende woorden, geen preek vol leerstellingen, maar een heel duidelijk verhaaltje dat iedereen begrijpen kan.
Die twee werelden van denken en doen vinden we ook terug in dat verhaaltje zelf. Aan de ene kant de wereld van de joodse priester en leviet, die met hun hoofd in de tempel zitten, wellicht vol vrome gedachten aan de tempeldienst die hen wacht. Maar met hun vrome gedachten lopen ze wel in een boog om de gewonde man heen. Jammer voor de man maar hun tempeldienst ging voor.
Aan de andere kant de wereld van de Samaritaan, die gewoon zijn hart liet spreken. Misschien kwam dit oponthoud hem ook heel ongelegen, maar hij was wel een naaste voor de man die door rovers in elkaar geslagen was.
Jezus' verhaaltje heeft een heel sarcastische ondertoon. De brave priester, de brave leviet, heel vooraanstaande mensen in de joodse samenleving, zij bleken geen naaste te zijn voor die arme man aan de kant van de weg. Maar die Samaritaan, die halve heiden, iemand waar ze allemaal op neerkeken, die was het wel, want hij gaf de gewonde man wel goede zorg.
Twee werelden van denken en doen, die zijn nog steeds actueel, ook in de gemeenschap van mensen die nu de weg van Jezus willen gaan. Er zijn ook nu mensen die overvallen worden door tegenslag en pech, mensen die beroofd worden van hun menselijke waardigheid, mensen die geen leven meer hebben en halfdood langs de weg liggen, zwakke mensen die uitgebuit en uitgeschud worden door de machtigen. We kunnen ze dagelijks op de televisie zien.
En de vraag die het evangelie ook aan ons stelt is: In welke wereld sta jij? Loop je daar in een boog omheen, met welk excuus dan ook of probeer je een naaste te zijn, laat je je hart spreken.
In welke wereld sta je, die vraag betreft ook de Kerk, die gemeenschap van mensen die met elkaar de weg van Jezus willen gaan. Soms lijkt de leiding van die Kerk veel op de wereld van de farizeeën. Ze maakt zich druk over allerlei theologische leerstellingen en kerkelijke wetten en regels, ze signaleren vaak wel gewonde mensen langs de weg, maar onbedoeld lopen ze er in de praktijk van het leven soms in een boog omheen omdat zij zich druk maken over allerlei theoretische kwestie in de kerk.
De paus kan dan wel een brief schrijven over het gebruik van Latijn in vieringen, en in het Vaticaan kunnen ze wel vaststellen dat de katholieke Kerk de enige ware Kerk van Jezus is, maar daar is geen enkele mens in de goot mee geholpen. De bisschop kan wel een brief schrijven dat hij geen woord- en communiediensten wil, maar geen enkele mens in de knel voelt zich daardoor aangesproken. De wereld die Jezus voorstaat is er niet een van regels en dogma's maar van heel concreet doen en je handen uit de mouwen steken.
Onlangs is in Amsterdam majoor Bosshardt overleden, lid van het leger des heils, in de officiële kerk vaak wat meewarrig bekeken, maar juist als de barmhartige Samaritaan uit het verhaaltje van Jezus, liet zij heel concreet haar hart spreken, was zij echt van harte nabij aan mensen in de goot, mensen die door de brave samenleving vaak op neer gekeken wordt, mensen die zonder hulp niet verder kunnen in het leven. Majoor Bosshardt deed wat zij kon om hulp te bieden.
Van mij mogen ze deze vrouw meteen heilig verklaren. Dat zal wel niet gebeuren, ze is immers niet rooms-katholiek, maar voor Jezus, voor God, is zij ongetwijfeld een heilige, ook al hoort ze officieel niet bij de katholieke kerk.
Zij heeft immers begrepen waar het omgaat in het rijk van God: een naaste te zijn voor de mens in de knel, de mens die beroofd is van zinvolle levensmogelijkheden die, misschien wel door eigen schuld, geen menswaardige toekomst meer heeft. Ook die hebben hulp nodig van de gemeenschap, van hoog tot laag, van mensen die bereid zijn een naaste voor hen te zijn.
En de vraag aan ieder van ons is: durf je een naaste te zijn voor een mens in nood die je al dan niet toevallig tegenkomt, of loop je er toch in een boog omheen?