Vijftiende zondag door het jaar (2001)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden

Een paar jaar geleden zat ik onder mijn vakantie op een bankje in een park mijn boterham te eten. Al heel gauw kwam er iemand bij me op hetzelfde bankje zitten en die begon zonder veel inleiding te praten over zichzelf. In een kwartier tijd wist ik ongeveer alles van hem: dat hij arbeidsongeschikt was geworden, dat zijn vrouw ziek was, dat hij het altijd in zijn rug had, dat hij schimmel aan zijn voeten had. Kortom het was een heel droevig verhaal. Die man tilde heel zwaar aan het leven en hij moest zijn verhaal kwijt. En ik was de gelukkige die zijn verhaal mocht aanhoren. Die man vroeg van mij of ik, een wildvreemde, even zijn naaste wilde zijn. Daar kun je dan blij om zijn of niet, het is wel de realiteit van dat moment.
Wie is mijn naaste?, vroeg de man in het evangelie. Jezus had kunnen zeggen: iedereen, iedere medemens is je naaste. Je moet alle mensen in de wereld liefhebben als jezelf. Waarschijnlijk was die man tevreden geweest met dit antwoord. Maar in feite kun je met zo'n antwoord niets. Het is een mooie gedachte, zo zou het misschien ook moeten zijn, maar het staat heel ver weg van het concrete leven.
Wie is mijn naaste? In zijn antwoord vertelt Jezus een verhaaltje, geen hoogdravende theorie maar een heel concrete gebeurtenis, en het is nogal scherp met flinke steken onder water.
Een man was beroofd en lag halfdood langs de weg. De priester en de leviet, hooggeëerde mensen in de joodse maatschappij, zien de man liggen maar lopen in een boog om hem heen. Maar die Samaritaan, een halve heiden, waar de joden op neerkeken, die liet zijn hart spreken en hielp de gewonde man. En dan vraagt hij: wie van de drie was nu naaste voor de man langs de weg? En daarmee draait hij de oorspronkelijke vraagstelling om: niet: wie is mijn naaste, maar voor wie kan ik een naaste zijn?
En als we praten over naastenliefde, dan moet dat steeds weer de centrale vraag zijn: voor wie kan ik een naaste zijn en dat in de concrete omstandigheden van te leven.
En juist als in Jezus' verhaaltje: je zoekt zelf niet je naaste uit, je komt een ander tegen die jou vraagt: wil jij nu mijn naaste zijn? Wil jij nu even luisteren naar mijn verhaal? Wil jij mij nu even ondersteunen, want ik kan alleen niet verder? Wil jij mijn kruis een stukje helpen dragen? Het kan een toevallige ontmoeting zijn op een bankje in een park. Het kan je collega op je werk zijn, je buurman in de straat, iemand die je goed kent of iemand die je maar heel oppervlakkig kent. Maar op de een of andere manier, al of niet met woorden, vraagt iemand je: loop mij niet voorbij, ga niet in een boog om mij heen, maar heb wat tijd en aandacht voor me.
Gelukkig zijn er heel veel barmhartige Samaritanen in onze samenleving, heel veel goede naasten, die hun hart laten spreken als er op welk terrein ook een beroep op hen gedaan wordt. En dan kun je alleen al denken aan de vele vrijwilligers die actief zijn in de gemeenschap en voor de gemeenschap. Maar je hebt, jammer genoeg, ook altijd nog mensen die wel in een boog om medemensen heenlopen, die goed redenen menen te hebben om niet in actie te komen. Dat meenden die priester en die leviet in het verhaaltje van Jezus ook. Het waren heus niet van die harteloze mensen die helemaal niets gaven om het lot van anderen. Maar ze moesten zich aan de regels houden, meenden ze. Een jood mocht geen dode aanraken, dat maakte hem onrein. En als die priester en leviet die gewonde man zouden aanraken en hij zou dood blijken te zijn, dan mochten ze geen dienst doen in de tempel en dat risico konden ze niet nemen, meenden ze.
Maar Jezus zet ze danig in hun hemd: Je mag je niet verschuilen achter regels of tradities als het gaat om een mens in nood. Ook nu zijn er mensen die wellicht te gauw menen dat zij een goede reden hebben om niet in actie te komen, ik zou wel willen maar ik heb geen tijd, anderen kunnen het veel beter dan ik, daar ben ik niet voor, ze moeten maar naar de professionele hulpverlening. Soms zijn die redenen wellicht terecht, vaak ook niet. Voor wie kan ik een naaste zijn? Wie met een paar open ogen om zich heen kijkt, komt altijd mensen tegen voor wie hij of zij iets betekenen kan.