Vijftiende zondag door het jaar (1998)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden

Het verhaal van de barmhartige Samaritaan kennen we allemaal. Als Jezus nu in deze tijd geleefd zou hebben, zou hij het misschien op een andere wijze verteld hebben, misschien wel zo:
Op de weg van Venray naar Overloon raakte op een zondagmorgen iemand van de weg en belandde in de sloot. Als eerste kwam de pastoor van Overloon voorbij, hij zag de auto in de sloot maar reed hard door, hij dacht: ik hoop dat er geen gewonde meer in zit, want ik heb nu geen tijd om te stoppen, anders ben ik te laat voor de mis. Even later kwam de dominee van Venray voorbij de plaats, ook zij zag de auto in de sloot, keek op haar horloge en dacht: hopelijk is er niets ernstigs gebeurt, ik moet doorrijden anders ben ik te laat voor de dienst. Daarna kwam een asielzoeker uit Stevensbeek voorbij op zijn fiets, hij zag de auto in de sloot, gooide zijn fiets aan de kant en hielp de automobilist uit de gedeukte auto, rende een flink end naar het dichtstbijzijnde huis om te bellen en hij bleef bij de gewonde automobilist tot de ambulance er was. Daarna fietste hij weer gewoon verder. Wie van de drie was nu een naaste voor die automobilist.
Als je het zo vertelt heeft het voor ons iets provocerends, een beetje hatelijk. Maar zo precies klonk Jezus' verhaaltje toen ook. Het was hatelijk aan het adres van de joodse priester en leviet die brave joden van de hoogste klas. Wie is mijn naaste, vroeg de wetgeleerde. Jezus draaide de vraag om: voor wie kun jij een naaste zijn? Voor wie kun jij een helpende hand zijn, een redder in de nood? Zo kun je je afvragen: kan ik een naaste zijn voor mensen die honger lijden in Soedan, of die op de vlucht zijn in Ruwanda? Dagelijks worden we haast overspoeld met beelden van nood en ellende en voorzover we nog niet immuun geworden zijn voor die beelden, zeggen en denken we: wat erg voor die mensen en misschien geven we wat aan een actie, maar voor de rest voelen we ons machteloos, en denken we: hier kan ik toch niets doen. En inderdaad: wij kunnen geen naaste voor ze zijn, tenzij een heel klein beetje door de hele kleine beetje financiële hulp die we geven en die ook heel belangrijk is. Maar zelfs dan hebben we vaak nog een excuus om het niet te doen: het blijft toch aan de strijkstok hangen, het komt niet terecht.
Kunnen wij naasten zijn voor de daklozen in de grote steden, voor de verslaafden, voor illegalen, voor mensen die tussen het schip en de wal vallen in onze welvaartsmaatschappij? Nou, we kunnen slecht met zijn allen naar Amsterdam gaan om daar een naastenliefde te gaan doen, dat werkt niet. Echte naasten kunnen we echt niet voor hen zijn tenzij in de zin dat we mild zijn in ons oordeel over hen. Laten we alleen maar eens dit bedenken, de allermeesten hebben zelf niet bewust voor dat soort leven gekozen, door omstandigheden zijn ze daarin terecht gekomen en we hoeven ze niet te benijden.
Als we praten over de vraag: voor wie kan ik een naaste zijn, dan moeten we denken aan situaties dicht bij huis, aan mensen die we al dan niet toevallig ontmoeten, aan mensen die al dan niet met woorden een beroep op ons doen, mensen die we misschien helemaal niet zo mogen of misschien zelfs een beetje op neerzien. Voor wie kan ik een naaste zijn? Voor die man of vrouw die zijn verhaal kwijt wil, ook al luister ik misschien voor de tiende keer naar datzelfde verhaal. Voor die ziekte die ontredderd is door zijn ziekteproces en die het fijn vind als ik gewoon stilletjes bij zijn bed zit, Voor die mens die ik op straat tegen komt terwijl ik gauw even naar de bakker wil, die me op dat moment zijn verhaal wil vertellen.
En zo zijn er talloze voorbeelden te geven, maar die liggen altijd heel dicht bij huis en niet aan de andere kant van de wereld, en het gaat erom dat je op dat moment je roeping ziet. Tot slot nog dit: Bemin je naaste als jezelf, staat er Er staat niet: bemin je naaste meer dan jezelf. Dat wordt misschien wel eens gesuggereerd, maar dat kan natuurlijk niet. Maar, zoals je van jezelf houdt, hou zo ook van anderen, dan ben je een echte naaste voor hen. Of zoals het ook wel eens gezegd wordt: Behandel een ander zoals je zelf graag behandelt wilt worden.