Als schapen onder de wolven

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

‘Zie ik zend u als schapen onder de wolven.' Wat Jezus met deze woorden wilde zeggen, hebben veel christenen in de loop van de geschiedenis aan den lijve moeten ondervinden. Hier worden wij nog niet openlijk vervolgd, maar ieder die consequent volgens het evangelie wil leven zal vlug merken dat dat soms niet zo gemakkelijk is. Een kind dat elke zondag trouw naar de kerk gaat, krijgt het al moeilijk als zijn vriendjes dat niet doen. Wanneer ze op je werk horen dat je nog wekelijks naar de mis gaat, houden ze je voor onnozel. En probeer in de zakenwereld maar eens een beetje te handelen volgens christelijke maatstaven van eerlijkheid, eerbied voor de mens, ze zullen je heel vlug willen verscheuren.

Het strijdbaar atheïsme is hier niet het grootste gevaar voor de Kerk, maar het praktisch atheïsme binnen de Kerk. Dit atheïsme raakt de wortels van het christendom. Het is de mentaliteit van mensen die zich christen noemen en toch God geen plaats in hun leven geven, die zich aan zijn geboden niet houden als het moeite kost, die zich zo verstrikken in de zorgen van het leven, dat er geen ruimte meer is om getuigen te zijn van de blijde boodschap. Het heeft geen nut dat de weinige getrouwen dan klaagliederen aanheffen over de geruisloze afval van de Kerk, over de onverschilligheid van de jeugd, over de zedenverwildering enzovoorts.

In deze situatie kunnen wij veel leren van die 72 leerlingen: weerloos zond Jezus ze uit, twee aan twee, om vrede te brengen, om zieken te genezen, om het Rijk Gods aan te kondigen. En hoe sober ze ook waren uitgerust, zij getuigen dat het hun aan niets heeft ontbroken. Juist omdat zij een minderheid waren, moesten zij zich tot het wezenlijke beperken, waren zij gedwongen om aandacht te schenken aan wat rondom hen gebeurde, en door zo voedsel, lief en leed, met de anderen te delen, merkten zij dat het Rijk Gods dichtbij was overal waar mensen vrede uitstralen en andere mensen vrede toezeggen.

Hoe meer de moderne maatschappij ons terugdringt in een minderheidssituatie, des te meer zullen wij ook gedwongen worden om ons tot het wezenlijke te beperken. Wij worden waarschijnlijk een arme Kerk, arm aan priesters, arm aan praktiserende gelovigen, arm aan politieke invloed en wie weet zelfs arm aan materiële goederen. En dan spreken wij over een crisis in de Kerk en wordt ons gemoed bedrukt.

Maar kunnen wij misschien niet veel beter spreken van nieuwe kansen voor de Kerk? Als wij die ballast eens overboord zouden willen gooien van overdreven structuren, van overtollige rijkdom, van machtsklerikalisme en politieke invloed, zouden wij dan misschien niet meer gelijken op die eerste 72 leerlingen, die vol blijdschap terugkwamen omdat zelfs de duivels zich aan Jezus' naam hadden onderworpen?

Die eerste leerlingen vertrouwden enkel en alleen op Gods bijstand, zij beperkten zich tot de zorg om de concrete mens en preekten alleen door hun consequente levenswijze. Maar juist zo'n getuigenis van weerloze mensen, die de vrede dienden, werkte aanstekelijk bij de heidenen, die verwonderd stonden over de blijde hoop die in hen leefde en elke dag vermeerderde zich het getal van de gelovigen.

De Kerk staat in deze tijd voor ongehoorde kansen. Als wij een beetje de geschiedenis van de Kerk overzien, dan weten we dat de kansen altijd de overhand gehaald hebben, anders zou de kerk niet meer bestaan. De eerste leerlingen geloofden in de kracht van Gods woord: niemand kan de komst van het Gods Rijk verhinderen. Zo'n geloof zou ons ook kunnen behoeden voor paniek of moedeloosheid. Ook als wij ons een beetje zouden voelen als schapen tussen wolven, dan hoeft ons dat nog niet bang of moedeloos te maken. De Blijde Boodschap zal haar weg wel vinden ook in deze wereld. Dat is Gods zaak. Onze zaak is, vreugdevolle getuigen te zijn van de vrede, zonder te veel ballast mee te sjouwen.