14e zondag door het jaar C - 2007

Het zijn twee bitterzoete verhalen die we zojuist gehoord hebben, de lezingen uit Jesaja en Lukas. Het fragment uit Jesaja komt uit het lied waarmee hij zijn boek afsluit. Het begint als een groot loflied op Jeruzalem, en Jesaja geneert zich niet om die stad in rondborstige taal te bezingen:

"Laat allen die Jeruzalem liefhebben
Zich met haar verheugen.
Aan haar vertroostende moederborst
Zullen jullie drinken en verzadigd worden,
Haar rijke, volle borsten
Zullen je zogen en verkwikken.
Je zult op de heup gedragen worden
En worden gewiegd op haar schoot. "

Jeruzalem als big mama . En alsof dat niet al opmerkelijk genoeg is, worden die beelden vervolgens door God overgenomen en op zichzelf betrokken: "Zo zal ik jullie troosten, zoals een moeder haar kind troost."
Hoe bitterzoet deze tekst is, realiseer je je pas goed als je weet in welke omstandigheden ze is ontstaan. De Israëlieten die uit hun land verdreven waren, die jarenlang in ballingschap hadden geleefd en vol weemoed en verlangen hadden teruggedacht aan hun geliefde moederstad, hebben uiteindelijk mogen terugkeren. Vol hoop gaan ze op weg: "Eindelijk: we kunnen weer naar huis, het land weer opbouwen, er kan weer wat gaan groeien." En amper zijn ze terug in Jeruzalem, of er ontstaat conflict op conflict, ruzies tussen de mensen die terugkwamen en de mensen die waren achtergebleven, ruzies om de tempel, ruzies om macht, om geld, om eer: En ineens ligt de grote droom van het prachtige Jeruzalem, de stad van vrede aan diggelen.
En onwillekeurig denk je aan het Jeruzalem van vandaag: Verdeeld tussen de haviken van het ene kamp en de haviken van het andere kamp, en met midden door de stad de muur van de wanhoop, de muur die zegt: "Jou wil ik niet meer hoeven zien, met jou praten heeft geen zin meer, laten we maar doen alsof we voor elkaar niet meer bestaan." En in die tot op het bot verdeelde stad zingt Jesaja vandaag het lied over de zogende, troostende moeder Jeruzalem en over God onze moeder, die je wiegt op haar schoot.

En dan het verhaal uit het evangelie. Jezus stuurt 72 leerlingen eropuit. In de tijd van Lukas dacht men, dat de aarde bevolkt werd door 72 volkeren. 72 is dus: Heel de wereld, niemand uitgezonderd, iedereen wordt gezonden. Jezus stuurt ze twee aan twee. Waarom twee aan twee? Gregorius de Grote, bisschop en beroemd predikant rond het jaar 600 zei in een preek: "Jezus stuurde zijn leerlingen twee aan twee omdat er twee geboden zijn in onze kerk: God liefhebben boven alles, en de naaste als jezelf. En voor liefde zijn er minstens twee nodig: Als je met mensen over die liefde wilt kunnen praten, moet je een reisgenoot hebben om te weten waar je over praat."
En de leerlingen moeten over de liefde gaan praten: Als ze een huis binnengaan, zullen ze zeggen: "Vrede voor dit huis!" En als ze welkom zijn, zullen ze de aankondigers van het goede nieuws worden: "Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt: Hier vandaag is het nieuwe Jeruzalem, de stad van vrede gebouwd."
Maar ook deze tekst is bitterzoet: Jezus stuurt zijn leerlingen weg met hun grootse taak, maar geeft er wel meteen een waarschuwing bij: "Ik zend jullie als lammeren onder de wolven." En als de leerlingen daarbij nog dachten aan een ander lied van Jesaja waar de wolf vredelievend naast het lam ligt (Jes 11,6; Jes 65,25) dan helpt Jezus ze resoluut uit de droom door ze aan te kondigen wat ze moeten doen als ze in een stad niet welkom zijn: Het onrecht aanklagen, mensen wakker schudden uit hun apathie. "Waarom verstop je je achter de muur van de wanhoop? Het rijk van God is zó dichtbij, waar wacht je nog op?"
Bitterzoet: De leerlingen trekken voor Jezus uit, en nog voor Jezus er zelf is, klinkt het al in de huizen: "Het Rijk van God, dat is wat er hier en nu gebeurt: Dat kan niet stuk." En om dat te verkondigen, nemen de leerlingen het risico van de afwijzing op zich.

Als de lezingen van vandaag ergens over gaan, dan gaan ze over hoop. Hoop kijkt reikhalzend naar de toekomst, richt zich op een doel. Misschien is dat ook wel de reden, dat het vaak zo ongemakkelijk voelt om over hoop te praten, en waarom we vaak huiverig zijn om ons af te vragen of er een doel in ons leven is, in welke richting we gaan. De vraag of er een doel in ons leven is blijft meestal impliciet, misschien wel omdat we bang zijn dat het antwoord wel eens negatief zou kunnen zijn.
Hebben we reden om te hopen? Kan de kerk vertellen hoe onze toekomst eruit ziet? Ja en nee. We geloven dat Gods Koninkrijk op aarde komt, we geloven dat lijden en dood niet het laatste woord zullen hebben, we zijn er van overtuigd dat de muur van de wanhoop het niet zal houden. Maar hoe dat zal gebeuren, dat weten we niet. We kunnen niet het bijbelboek openbaringen Opslaan en zeggen: "Maak je geen zorgen; vijf plagen gehad, nog maar twee te gaan." We hebben geen geheime informatie over wat er de komende honderd of duizend jaar zal gebeuren. En gelukkig maar: De twintigste eeuw is kapotgegaan onder mensen die maar al te goed wisten welke kant we op moesten, en die over lijken wilden gaan om er te komen.
Wat we wel hebben, zijn verhalen over de hoop. En één verhaal in het bijzonder, het verhaal van de grootste crisis die we als kerk zelf hebben meegemaakt, het verhaal van het laatste avondmaal.
Die maaltijd wordt gehouden op een moment waarop alles in Jezus' leven mislukt lijkt: Één leerling, Judas, staat op het punt hem te verraden, een ander, Petrus, zal hem verloochenen, alle andere leerlingen zullen wegvluchten: de gemeenschap die Jezus heeft willen opbouwen, staat op het punt om uit elkaar te vallen: de muren van de wanhoop zijn metershoog opgetrokken. Het is op dat moment dat Jezus iets creatiefs doet, iets ongehoord nieuws. Hij neemt het verraad en zijn naderende dood aan, en vormt het om tot een gave. "Dit ben ik, brood dat voor jullie gebroken wordt: zo wil ik bij jullie zijn." Zo wordt de grootste crisis uit Jezus' leven omgekeerd tot een gave, tot een teken waarin zichtbaar wordt wat hoop is: een manier van vertrouwen die moeilijkheden niet wegpoetst, maar die zichzelf tot geschenk kan maken. Wat Jezus deed, zichzelf weggeven als teken van Gods koninkrijk, was niet alleen een verwijzing naar de toekomst. In dat teken, werd op dat concrete moment iets zichtbaar van die toekomst, hebben wij, zijn leerlingen, de troost van God onze moeder geproefd.

Christenen hopen op de eeuwigheid. Maar `eeuwigheid' is niet iets dat gebeurt aan het einde van de tijd, als wij allemaal al lang dood zijn. Eeuwigheid begint vandaag, als wij delen in Gods leven, als we niet wegvluchten in afstompend vermaak of ons verbergen achter de muur van de wanhoop, maar hier en nu Gods Rijk laten beginnen.
Om onszelf daaraan te herinneren, daarom lezen we hier steeds weer de verhalen over de rondborstige moeder Jeruzalem, over hoe we uitgezonden worden om goed nieuws te brengen aan mensen in de knoei, over Jezus die zichzelf geeft aan ons, gewoon, puur uit liefde.
En daarom is het ook, dat we hier zo graag Gospels zingen, de liederen van het grote verlangen naar het nieuwe Jeruzalem, onze hoop op het Koninkrijk dat vandaag begint. "He's got the whole world in his hand..." : We zullen het nog vaak zingen.