Christenen moeten iets uitstralen

Beste vrienden,

“Niet verder vertellen, het moet onder ons blijven”, dat was en is in bedrijven en ook in de Kerk nog steeds de beste methode om iets wat niet publiek mag worden, zo snel mogelijk bij iedereen bekend te maken. Op die manier wordt er iets “ad absurdum” gebruikt, wat normaal een heel andere betekenis heeft.

Want normaal gesproken wordt die indringende bede aan de andere alleen gebruikt wanneer ik iets van mezelf, iets van mijn eigen leven, aan iemand anders toevertrouw en wanneer ik uit de grond van mijn hart echt niet wil dat het aan de grote klok wordt gehangen. Het kan ook zijn dat het over een zaak gaat die voor mij pijnlijk, of minstens toch zeer onaangenaam is.    Die zin: “Vertel het a.u.b. niet verder“  moet dan vermijden dat er te veel mensen weet van krijgen en het achteraf als een lopend vuur verder vertellen of in leedvermaak vervallen.   

“Vertel het a.u.b. niet verder” – dat zinnetje geldt blijkbaar ook voor steeds meer Christenen, wanneer het om hun geloof gaat. Daar mag je zeker niet over praten – niet in de vrienden- of de kennissenkring, niet op school of op het werk, en zeker niet in situaties waar er Mensen bij kunnen zijn die kritisch staan tegenover de Kerk of het geloof. Discuteren willen we immers niet, het heeft toch geen zin en een deel van hun kritiek is doorgaans ook gerechtvaardigd...

Dat klopt, en wij moeten niets schoonpraten: er zijn veel mensen die het op dit ogenblik niet zeer opbouwend vinden om tot een Kerk te behoren waarin ge, als ge u engageert, dikwijls tegen dikke muren van bekrompenheid en angst opbotst. Er zijn mensen die zwaar ontgoocheld zijn omdat ze in hun eigen christelijke gemeenschap niet gesteund worden in de verdediging van hun Christen zijn van alle dag, maar integendeel meegetrokken worden in allerhande achterhoedegevechten die kracht kosten en mensen verslijten. En intussen merken we niet meer hoe door de ontgoocheling over al die vleugel- en richtingsgevechten in de Kerk, de sprakeloosheid in zaken van geloof in onze rijen als maar toeneemt.

Wanneer spreken wij in onze gemeenschappen nog over datgene wat ons in ons leven draagt, over wat het ons gemakkelijk of moeilijk maakt om te geloven? Wij weten toch zo goed als niets over elkaars verhalen van geloof en ongeloof – zelfs niet in onze eigen familie.  Je gelooft wel, maar je spreekt daar niet over. Dat is de algemene tendens, en daardoor krijgen wij meer en meer het gevoel dat we nog maar een klein hoopje gelovigen zijn. Een soort van heilige rest, omgeven door een grote menigte die van het geloof niets meer wil weten.    

Daarom is het Evangelie van vandaag zo belangrijk. Het provoceert ons en daagt ons uit in de goede betekenis. Het toont ons aan dat de christelijke boodschap niet voor een select gezelschap, maar zeer uitnodigend voor alle mensen is bedoeld.   

Lucas schrijft zijn Evangelie voor mensen die toen aan den lijve moesten ervaren dat de christelijke boodschap, ook al waren ze er zelf volledig van overtuigd, zich niet vanzelf verspreidde. Niets ging vanzelf, in tegendeel: De mensen moesten met het Evangelie in aanraking worden gebracht. Ze moesten opgezocht en overtuigd worden. En dat was ook in die tijd niet gemakkelijk.

Maar bij de mensen die zich toen op weg begaven vallen me twee dingen op: Eerst en vooral zijn het geen professionelen in geloofsvragen die hier worden uitgestuurd. Het zijn geen rotsvaste christenen die door niets meer uit hun evenwicht konden worden gebracht. Maar het waren mensen die door Jezus en door zijn leer gefascineerd waren; mensen, die voor zichzelf hadden ondervonden dat hun leven door Jezus’ boodschap aan rijkdom had gewonnen. Het zijn mensen, die door Jezus iets van de nabijheid en de liefde van God hebben ervaren en die bereid zijn om die ervaring verder te vertellen, om er volledig achter te staan en om zo een persoonlijk antwoord te formuleren. Het getal 72 is hier ook niet willekeurig gekozen, het is het getal uit de lijst van de volkeren in Genesis, wat betekent dat Lucas hier wil zeggen: Deze boodschap is bedoeld voor alle volkeren van de wereld.      

Het tweede punt: We kunnen Jezus zeker niet verwijten dat Hij zijn mensen niet gewaarschuwd zou hebben. Hij maakt het hen zeer duidelijk: Wat jullie nu moeten doen is zeker geen zondagswandelingetje. Het beeld van de schapen en de wolven is op dat punt zeer duidelijk. En toch! Jezus sluit geen compromissen inzake de menselijke behoefte aan zekerheid. Geen geld; Geen proviand, zelfs geen schoenen. De leerlingen mogen niets, maar dan ook helemaal niets meenemen wat hen bij onvoorziene gebeurtenissen zou kunnen beschutten of hen uit het slop zou kunnen helpen.

Niets tastbaars, volledig vertrouwen op je reisgezel en op je eigen Godsvertrouwen.  In Jezus’ ogen is dat ruim voldoende. Als proviand geeft Hij hen alleen de hoop mee, dat zij en hun boodschap door de mensen gastvrij zullen worden ontvangen. Maar dat kan niet worden gegarandeerd! Zij moeten de mensen Gods nabijheid in woord en daad laten voelen. Dat is toch wel heel iets anders dan: “Zeker niet verder vertellen a.u.b.!”

We zien dus dat Geloof voor de eerste christenen helemaal geen privézaak was, geen zaak waar ze alleen in stille vertrouwdheid of in een kring van vertrouwde mensen over spraken. Neen, juist omdat ze zelf zo overtuigd en enthousiast waren over Jezus’ boodschap, willen en zullen ze die ook aan alle anderen meedelen.

Daarbij is het belangrijk dat de leerlingen door Jezus nooit onder prestatiedruk worden gezet. Ze moeten geen resultaten voorleggen. Ze moeten de boodschap alleen proberen uit te dragen.   

En wat kunnen wij uit dit evangelie leren? Allereerst – dat we met elkaar terug over ons geloof moeten leren spreken – dat we uit onze sprakeloosheid moeten geraken door terug te leren praten over wat ons hoop geeft en ons laat geloven.

Ook wanneer er in onze Kerk en in onze parochies veel zaken zijn die niet meer lopen zoals het zou moeten, dan mogen we niet bij de pakken blijven zitten en wachten tot het tij keert, want zonder onze inzet zal dat nooit kunnen gebeuren. En wanneer de geloofwaardigheid van onze kerk weer eens wordt aangetast door het wangedrag van een ambtsdrager van de Kerk, dan mag ons dat toch niet weerhouden om onze taak te vervullen. Want er staat nergens geschreven dat gewone Christenen in hun gedrag en in hun handelen niet geloofwaardiger mogen zijn dan hun ambtsdragers.

Ook vandaag wachten de mensen erop om aangesproken te worden – In de naam van Jezus en met zijn kracht. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat er ook vandaag nog een grote behoefte heerst aan geestelijke oriëntatie, dat er nog een grote honger naar vrede en gerechtigheid en een groot verlangen naar religieuze beleving en zingeving heerst. “De oogst is groot“ konden we in het evangelie horen, we moeten die alleen waarnemen en bereid zijn om mee te helpen. Iedereen, wij allemaal, mannen en vrouwen, als arbeiders aan de oogst, daar waar je staat: in je gezin, in je buurt, op je werkplek. Die ervaring kan je overal opdoen wanneer je als gelovig christen uit de kast komt en je niet verschuilt, wanneer je open en vrank voor je gelovig zijn durft uitkomen. Wij mogen het stof wel van onze schoenen schudden, maar we mogen ons niet uit de voeten maken wanneer het erop aankomt kleur te bekennen en profiel te tonen. Zeker niet in het maatschappelijk betoog en in de grote ethische discussies van onze tijd.   

Onze groeiende machteloosheid, het wegsmelten van de christelijke waarden en de steeds afnemende invloed van de Kerk op macht en moraal – alles waar we zo graag over klagen – wordt door dit evangelie in een heel ander licht geplaatst. De 72 leerlingen worden uitdrukkelijk zonder macht en zonder middelen op weg gestuurd naar de mensen. De huidige verhoudingen in de maatschappij dwingen ons er eindelijk toe om meer te vertrouwen op Gods macht en op zijn mogelijkheden als, op de traditionele privilegies van de Kerk.     

Dit evangelie is het waard om in de huidige maatschappelijke situatie verkondigd te worden. Dus: niet zwijgen – maar verder vertellen – ook in de vakantie!  Of we doen het zo, zoals die pastoor, die door de burgemeester van zijn dorp werd gevraagd om zijn kerk s’nachts toch met schijnwerpers te verlichten. De priester antwoordde kernachtig: “Christenen moeten zelf iets uitstralen, niet hun kerkgebouw in het licht zetten.” Had die man niet groot gelijk? Amen.