"Wie zijn leven wil redden zal het verliezen". Er is toch niemand die zijn leven niet wil redden. Het is het eerste en het enige waarop we denken. Iedereen wil zijn leven redden, zijn vel redden, zoals we zeggen. Zodra er een noodsituatie ontstaat, duwt iedereen de andere weg. De schipbreukelingen stampen elkaar weg van het stuk hout dat ze drijvend houdt. Bij brand vertrappelen de vluchters elkaar. Het zijn niet de slimsten en de sterksten die in de vuurlinie terechtkomen in de oorlogen. Ook als er geen sprake is van levensgevaar, wordt er gewerkt met handen en voeten, met de ellebogen, met alle listen van geld en macht en invloed, om zelf vooruit te komen, onverschillig of het ten koste is van anderen. Hebben is hebben, zeggen we. In groot gevaar of in het dagelijkse leven. Als wij de weg maar vrij hebben. We hebben echt geen zin om te verliezen. Geen vijf minuten willen we kwijt, laat staan ons hele leven.
En toch zegt Jezus: "Wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden". Wat is redden en verliezen? Wat komt in ons in opstand bij zo een uitspraak? Wat willen we redden en niet verliezen? Het kan het leven zelf niet zijn. Dat wordt ons geschonken, we leven het uit en op zeker ogenblik verliezen we het. In die zin kán niemand zijn leven redden en zijn we allemaal verliezers. We willen er alleen niet aan herinnerd worden. Niemand moet het spel bederven met eraan te herinneren dat het niet blijft duren. En ook moet niemand ons eraan herinneren dat we het niet goed of ook vals spelen en nog minder dat we anderen er buiten houden. De wijze doet er ons aan denken dat het niet duurt en dat we het ook slecht kunnen spelen en de profeet verwijt ons onze valse zetten. Dáártegen komen we in opstand. Jezus, die wijze is en profeet, zegt dat we spelen als de eerste de beste. Maar wij denken dat we de eerste én de beste zijn en we zijn beslist dat te blijven. Als aan een spel toch een einde komt, kunnen we best winnen zolang we kunnen spelen.
De mensen hebben in hun gebruikelijke verwarring in Jezus toch een profeet onderkend. Dát hebben ze scherp gezien. De leerlingen, die Hem niet alleen kunnen laten bidden, vertellen Hem dat ze Hem voor Johannes houden, of voor Elia of "voor een van de oude profeten" die opgestaan zou zijn. Ook al begrijpen ze het fijne ervan niet, toch weten ze dat Jezus in de rij staat van die lastposten die meer met God dan met de wereld bezig waren en die zich in die wereld alleen mengden om eraan te herinneren dat God óók meespeelde en dat Hij zelfs het hele spel wou leiden. Geen van die oude profeten liet de mensen hun spel begaan. Ook Zacharia niet, die voorspelde dat Jeruzalem over de laatste Profeet, die ze zouden "doorstoken hebben", zou treuren en schreien als over een enig kind. Dat "enig kind", die "eerstgeborene" was Jezus, die Petrus "de Gezalfde Gods" noemde, "meer dan een profeet".
Door het doorsteken van "de Gezalfde Gods" zou heel het menselijke spel doorstoken worden. Er kwam door die moord voorgoed een einde aan het spel van de mensen zonder God. Toen ze Jezus doorstaken gingen hun ogen open. Zacharia had dat voorzien. Ze zouden treuren als over Hadad-Rimmon, zei hij. Hadad-Rimmon was een god van de Feniciërs, de noorderburen van Israël. Hij was een god van de vruchtbaarheid. In de rijke vlakte van Megiddo, in het Noorden, werd hij met de seizoenen gevierd. Hij verrees als de natuur in het voorjaar ontwaakte en stierf als de oogsten waren binnengehaald. Het leven verliep tussen lentefeesten en herfsttreuren. Op leven en dood was het gevecht met de natuur. En in dat dramatisch spel probeerde iedereen, ook door slecht en vals te spelen, zijn eigen leven te redden.
Jezus redde het leven van iedereen. Hij was "alleen aan het bidden" en sprak tot zijn Vader, de Gever van alle leven, over "zijn leerlingen" en over wie Hem wilde volgen. Door zijn gebed werd het mogelijk het leven te redden dat komedie is én drama. "De Gezalfde Gods" was niet enkel wijze en profeet. Hij was ook priester die zijn volk redde door zijn gebed en door zijn offer.