Evangelieprikje 2016

Een rouwstoet die de stad uitgaat en een groep mensen die Iemand volgen die volgens hen nieuw leven brengt, ontmoeten elkaar aan de stadspoort. Ook vandaag bestaan helaas nog altijd zulke taferelen, de meeste rouwstoeten botsen met mensen voor wie het leven gewoon verder gaat. De tijd dat men eerbiedig op zij ging en de rouwstoet groette, ligt achter ons. Het mag ons eigenlijk verbazen dat er nog geen ongevallen gebeurd zijn met rouwstoeten, want zo’n trage stoet zal wel ergernis opwekken bij bepaalde gehaaste medemensen. Dood en nieuw leven zullen wel altijd weer op elkaar botsen. Ze horen bij het leven. Maar in deze ontmoeting zal Jezus ook de rouwstoet veranderen in een stoet van nieuw leven want het lijkt wel of de evangelist Lucas kost wat kost wil bewijzen dat die Jezus nog een straffere gast is dan de profeet Elia die – zo leert het Eerste Testament ons – iets soortgelijks meemaakte.

De dood van iemand is altijd erg en gaat meestal gepaard met veel verdriet. Hier is dat ook zo, zeker als je weet dat de weduwe niet alleen haar zoon maar ook haar “pensioen” verliest, want deze zoon zou voor haar moeten gezorgd hebben op haar oude dag. In een land met heel veel betogingen en stakingen, o.a. over het pensioen, moet ik niet uitleggen hoe erg dat is voor mensen. Maar ze is niet alleen haar appeltje voor de dorst kwijt, als vrouw alleen, als weduwe heb je quasi geen rechten en ben je uitgeleverd aan de goodwill van anderen. Iedere jood, dus ook Jezus, weet hoe erg dit is voor de dame. En toch gaat Hij de rouwstoet niet volgen, zoals de meeste joden zouden doen. Neen, hij brengt die rouwstoet tot stilstand. Het eerste wat Hij zegt is “huil niet”. Wij huilen ook als er iemand overleden is, maar bij de joden zijn er vrouwen die echt luid huilen. Zo luid zelfs dat sommigen denken dat ons woord ‘lawaai’ zou afgeleid zijn van het Hebreeuwse woord voor rouwstoet. Jezus zal niet enkel vragen te stoppen met huilen, Hij zal er ook voor zorgen dat ze geen reden meer hebben om te huilen. Hij gaat namelijk naar de jongeman en wekt hem weer tot leven. En Jezus gaf hem – of eigenlijk het leven – terug aan zijn moeder.

Tot daar het verhaal, maar is dat nu echt gebeurd? En zelfs als het echt gebeurd is, wat hebben wij er aan dat Jezus twintig eeuwen geleden iemand opnieuw tot leven bracht? Moeten we misschien in Jezus geloven omdat Hij zo’n straffe dingen kan? Ik vermoed dat dit alles niet meespeelde toen de evangelist Lucas dit verhaal schreef, wat dan wel? Een vraag om over na te denken. Mag ik misschien zeggen dat dit verhaal mij doet denken aan een begrafenis? Tijdens elke begrafenis zie ik gebeuren wat zich in Naïn afspeelde. In de kerk brengt men de overledene binnen, gevolgd door een rouwstoet. Van vooraan in de kerk komt de voorganger, samen met een misdienaar om de overledene te groeten nu hij de laatste keer de kerk binnen komt. Is die tweede groep niet de groep die de belofte van nieuw leven brengt naar de rouwstoet? En het gaat nog verder: de overledene wordt besprenkeld met wijwater, zoals ooit bij zijn doopsel. Het lijkt wel alsof de Kerk wil zeggen: voor ons gelovigen, begint het nieuwe leven hier. Maar leeft hetgeen de Kerk hier wil uitdrukken bij de modale gelovige? Zien wij onze geloofsgemeenschap als een groep mensen die nieuw leven brengen? Wat de samenleving er van denkt, dat mogen we bijna elke dag ervaren. Voor veel van onze tijdgenoten is godsdienst voorbijgestreefd of erger nog: gevaarlijk en dus te bestrijden. Hoe kunnen we daar tegen opboksen? Het spreekt voor zich dat daar wat meer voor nodig zal zijn dan een paar verhalen uit de Bijbel. Verhalen uit de Bijbel blijven dode letter zolang er geen mensen zijn die er kracht uit halen om verrijzenismensen te worden. En dan is de vraag of wij zo iemand zijn? Zijn wij verrijzenismensen, mensen die altijd weer opstaan uit de ellende en alles wat dodend is en die zelfs andere mensen daarbij helpen? Zit ons geloof zo diep dat het ons kracht kan geven om altijd maar weer te blijven hopen, te blijven geloven, te blijven liefhebben? Zijn wij als volgelingen van die Jezus in staat de rouwstoeten in het leven te doen halthouden en hen een perspectief op toekomst te bieden? Dat antwoord moet niet bestaan uit grote verklaringen of een massa-event, het maakt het meest kans op slagen als we gewoon proberen een begeesterd mede-mens te zijn. En weet je: niemand hoeft je te vragen om medemens te zijn, eigenlijk zijn we dat gewoon of zouden we dat toch moeten zijn. Pas als wij als geloofsgemeenschap er in slagen weer perspectief te bieden aan mensen die gevangen zitten in één of andere duisternis, zal men geloven dat die grote Profeet van weleer voor ons meer is dan een interessante stem uit het verleden. Voor ons leeft die Jezus vandaag nog en doet Hij ons ten volle leven.