10e zondag door het jaar C - 2013

Zusters en broeders,

Zowel in de eerste lezing als in het evangelie staat de dood centraal, en dat is iets wat ons bijzonder treft. De dood hoort bij het leven, hij is dus normaal, maar hij doet pijn en bezorgt veel verdriet. Hoe ouder we worden, hoe meer we kennis maken met de dood, en hoe meer doden we kennen. En ondanks de leeftijd blijft het pijn doen, wie er ook sterft. In de eerste lezing gaat het om een kind, in het evangelie om een jongeman. De dood van een kind, van een jongere, dat is een pijn die nooit overgaat. Een kind met een ongeneeslijke ziekte, een verongelukt meisje, een aangereden jongen, jongeren na een fuif in een vreselijk auto-ongeval, jongens die naar Syrië trekken om mee te vechten in een waanzinnige burgeroorlog. Het doet ons allemaal denken aan onze eigen dood. En we weten dat hij ons elke dag kan treffen, die dood. 

In de eerste lezing wordt de dood gezien als een straf van God. ‘Man van God, wat heb ik u misdaan?’ vraagt de vrouw bij wie de profeet is ingetrokken. ‘Bent u bij mij komen inwonen om mijn zonden openbaar te maken en mijn zoon te doen sterven?’ Als een straf van God, zo ziet ze dus de dood van haar zoon. Als een afrekening omdat ze zonden heeft bedreven. Welke zonden dat zijn, zegt ze niet, maar dat is ook niet belangrijk, want welke het ook waren, ze wordt erom gestraft, daar is ze van overtuigd. Zo denkt ook de profeet. ‘Heer, mijn God, brengt Gij zelfs onheil over de weduwe bij wie ik te gast ben door haar zoon te laten sterven?’ schreeuwt hij het uit. 

Zoiets doet Jezus niet, en Hij zal zoiets ook nooit zeggen. Ook niet als Hij pijn, lijden, verdriet ontmoet.  De honderdman die vorige week een beroep deed op Hem, de overspelig vrouw die voor Hem gesleept werd, het dochtertje van Jaïrus, de lamme man, de blinde, de arme weduwe, de melaatsen … Jezus kent maar één weg: de weg van meevoelen, van medelijden, van hulpvaardigheid. Hij kent de vrouw uit Naïm niet wiens zoon begraven wordt, ze vraagt Hem niets en ze klaagt niet, en toch zegt Hij: ‘Schrei maar niet’, en Hij raakt de lijkbaar aan. Hij weet dat Hij volgens de wet daardoor verontreinigd wordt, want contact met een dode besmet evenzeer als contact met een melaatse. Aldus de wet. Maar zoals altijd laat Jezus de menselijkheid voorgaan op de wet die daartegen ingaat. ‘Schrei maar niet’, zegt Hij, Hij wekt de jongen tot leven en geeft hem terug aan zijn moeder. Het volk is aangegrepen door ontzag, en God wordt verheerlijkt.  

Anders dan in de eerst lezing is er hier geen sprake van dat de dood van de jongen een straf van God zou zijn. Ook in dit opzicht gaat Jezus resoluut in tegen aloude opvattingen. God is immers geen boeman, geen barse wreker, geen menshatende barbaar, integendeel, God is een bezorgde schepper en beschermer, en een goede Vader en Moeder van al wat leeft. ‘Abba’, noemt Jezus Hem, ‘Pappieke’, en ook wij mogen dat zeggen, want zo is God. Een God die ons schept tot in eeuwigheid. 

Ook dat komt in beide lezingen aan het licht. Ogenschijnlijk gaan ze over de dood, maar in werkelijkheid gaan ze over de verrijzenis van het leven. De beide jongens worden niet door de wetenschap weer tot leven gewekt, maar door God. Hun hernieuwde leven bevestigt dat de dood niet het einde is, maar de overgang naar nieuw leven, naar eeuwig leven bij en met God. ‘Schrei maar niet’, zegt Jezus tegen de weduwe, en dat zegt Hij ook tegen ons. Want Hij weet: God ziet genadig neer op zijn volk. Hij laat niets verloren gaan van wat Hij geschapen heeft. 

Zusters en broeders, moge dit ons geloof zijn. Dat God een goede Vader en een zorgzame Moeder is, en dat de dood niet het einde is, maar het begin van eeuwig leven. In zijn liefde en vrede. Amen.