Nabijheid die moed geeft om te leven!

10e zondag door het jaar Cyclus C 2013 1 Koningen 17, 17-24

Lucas 7, 11-17

Nabijheid die moed geeft om te leven!

 

Beste vrienden,


Is het jullie ook opgevallen? De eerste lezing en het Evangelie van vandaag lijken , wat de inhoud betreft, zeer goed op elkaar. In beide gevallen gaat het om een weduwe wier enige zoon sterft. En in de beide gevallen krijgt de weduwe haar zoon terug door de hulp van een derde. In de eerste lezing door Elia, de door God gezonden profeet, en in het Evangelie door Jezus, de door God gezonden Messias.
Wanneer we in de Bijbel van spectaculaire genezingen of van wonderen lezen, dan hebben wij het daar dikwijls moeilijk mee, omdat we met dergelijke situaties geen ervaring hebben. Maar in deze gevallen, waar het om de dood van een geliefde mens gaat, kunnen we zeer goed meevoelen omdat we ons in die situatie ook kunnen inleven. We kunnen zelf zeer goed aanvoelen wat er in die beide vrouwen omgaat, welke gedachten er in hun hoofd rondspoken en waar hun hart door wordt bezwaard. “Wat heb ik toch gedaan dat God me zo zwaar straft?” – “Waar heb ik dat mee verdiend?”

Met dergelijke vragen kunnen we de gevoelens van de weduwe, die in gesprek gaat met Elia, goed onder woorden brengen. Zij is ervan overtuigd dat datgene wat ze nu door het overlijden van haar zoon moet doormaken alleen maar de straf voor haar eigen mislukken kan zijn. Daar ze zich echter van geen schuld bewust is, klaagt ze de profeet, en door hem natuurlijk ook God aan.
Of kijken we naar de weduwe uit het Evangelie: De rouwstoet voor de poorten van Naïn geleidt een jongeman naar het graf, ook zoon van een weduwe, de ganse trots en vooral ook de ganse steun van zijn moeder. De vrouw die hem het leven schonk, verliest hier niet alleen haar enig kind, maar ook haar kostwinner, de mens op wie ze volledig is aangewezen. Zo gezien zijn er zelfs twee doden in deze rouwstoet: de zoon en de moeder! Want: Kan je dat nog een leven noemen, wanneer je alle hoop moet begraven? Wanneer je eerst je echtgenoot en dan ook nog je enige zoon verliest en echt niet meer weet waarvan, en vooral waarom je nog verder zoudt leven? En dan komen in mij alle vragen terug naar boven die ik van treurende familieleden dikwijls hoor: “Voor wie moet ik nu nog leven? Wie heeft me nu nog nodig? Wat moet ik hier nog op deze wereld?
Laten we ons even voor ogen houden in welke situatie die beide vrouwen zich toen bevonden: Als weduwen waren ze zonder man volledig weerloos en rechteloos. Niemand verdedigde hen; niemand zorgde voor hen. Op de maatschappelijke ladder stond een weduwe helemaal onderaan en de enige hoop die ze nog had was, zoals in onze beide schriftlezingen, dat ze een zoon had. Wanneer die dan volwassen is, dan heeft ze ook weer een mannelijke bescherming. Die zoon is als het ware haar levensverzekering, haar pensioen en haar onderhoud in haar oude dag. En nu is hij dood. En met zijn dood is ook haar leven niets meer waard. In de maatschappij een niemand, steeds vegeterend tussen leven en dood. Het leven heeft voor haar bijna geen enkele zin meer.
In beide gevallen wordt de zoon terug tot leven gewekt. In beide gevallen krijgen de vrouwen, door hun zonen, alles terug wat ze verloren waanden: Hoop, moed voor de toekomst en zin in het leven. In beide verhalen gaat het uiteindelijk niet om de zonen, maar om de moeders. Omwille van de vrouw bestormt Elia de Hemel en omwille van de vrouw houdt Jezus de begrafenisstoet tegen. Uit medelijden, zo lezen we in het Evangelie. Niet uit medelijden met de overledene, maar uit medelijden met die levende doden, met de beide moeders. In beide gevallen lezen we bijna woordelijk:”Hij gaf hem terug aan zijn moeder.”
Bij alle gelijkenis is er echter ook een groot verschil tussen de beide gebeurtenissen: In Elias tijd gebeurde alles in het verborgene, in het huis van de weduwe. Het gaat alleen om haar, want de tijd is nog niet rijp voor de openbaarheid. Maar in Jezus' tijd speelt alles zich af in de openbaarheid, in volle straat. Want nu is de tijd rijp, het volk moet zien en beleven hoe God werkelijk is. Elia was maar een bemiddelaar die met al zijn krachten tot God moest bidden en Hem het leven van de jongeman afsmeken. Jezus daarentegen heeft dezelfde macht als God. Hij kan zeggen: “Jongeman, ik beveel het je: sta op!”

Zo erkennen de omstaanders, die het allemaal live meemaken: “In deze Jezus is God aan het werk.” Daarom kunnen ze ook zeggen: “God heeft zich om zijn volk bekommerd.” Ze voelen aan dat dit geen op zichzelf staand geval is, het gaat om ieder van ons.
Misschien zal de ene of de andere onder u nu denken: dat is allemaal wel goed en mooi en wie van ons zou zich niet mee verheugen met de beide moeders. Maar wat zeg ik tegen ouders die nu, vandaag, hun kind verliezen? Wat hebben die ouders, die vandaag hun kind hebben verloren, aan al die mooie uitleg? Wat hebben ouders wier kinderen misbruikt of gedood werden hier aan? Er is hier nu geen Jezus aanwezig, die een wonder kan volbrengen. Die ouders zijn nu even alleen en hulpeloos als die beide vrouwen uit de lezingen. Dergelijke vragen en antwoorden zijn zeker gerechtigd. Maar helpen ze ons verder? Als de jonge man uit het evangelie ouder geworden was en misschien zelf al vrouw en kinderen had, is hij misschien ook zwaar ziek geworden en gestorven. En toen was Jezus er ook niet meer om hem te redden. Ook toen Lucas dit verhaal neerschreef werden er mensen uit elkaar en uit het leven gerukt; mensen die elkaar graag zagen en aan de dood vertwijfelden – en toen kwam Jezus ook niet. Hij hielp toen ook niet – toch niet zo, zoals het in beide verhalen opgeschreven staat – of toch?
We moeten bedenken dat Lucas zijn evangelie lang na de dood en de verrijzenis van Jezus heeft opgetekend. En hij schrijft het neer vanuit een grote zekerheid: de laatste macht van de dood is gebroken. God is Heer en meester, ook over de dood. Met Jezus heeft hij dat getoond en bewezen. Met Jezus is er iets in de wereld gekomen dat ook niet door de dood kan worden vernietigd; een belofte, een eeuwige gelofte, die ook niet wordt teruggenomen in het aanschijn van de dood. In Jezus wendt God zelf zich tot ons en zegt: “Heb vertrouwen!” De dood is wel niet uit de wereld verbannen, maar Gods zorg en aandacht voor ons, mensen, stopt niet bij de dood, zijn gelofte gaat ver over de dood heen. Of dat een troost kan zijn voor al diegenen wier ogen nu vol tranen staan? Dat wil, kan en mag ik niet beweren. Maar het kan misschien dan een troost zijn, wanneer we hen niet alleen laten; wanneer ze in ons christenen, mensen ontdekken, die hen iets laten aanvoelen van die liefde van God voor hen; wanneer ze door één van ons mogen ervaren wat de mensen zo'n 2000 jaar geleden door Jezus hebben ervaren: een nabijheid die hen terug moed geeft om te leven. Amen.