Tijd door het jaar (C)

Beste vrienden,

Herinnert u zich de dag nog waarop u uw rijbewijs hebt behaald? Was dat geen heerlijk gevoel? Eindelijk had je die lang verbeide officiële toelating om zelf met de wagen te rijden. 

Het was, wel te verstaan, alleen de officiële bevestiging dat je de test had afgelegd en nu de toelating had om een auto te besturen. Ik herinner het mij nog alsof het gisteren was. Het eerste wat ik deed nadat ik mijn rijbewijs had behaald, was de wagen van mijn oom bij het starten verzuipen. Ik kon wel rijden, maar echt veilig rijden in het verkeer, dat was nog heel wat anders, dat kon ik nog lang niet. Maar ik zou nooit op het idee gekomen zijn om de auto daarom maar te laten staan en niet te rijden. Ik had het immers schriftelijk, zwart op wit: Ik had een officieel document dat bewees dat ik in staat was om een voertuig te besturen.

Goede vrienden, we hebben het zwart op wit, men heeft vertrouwen in ons. En dat niet alleen voor wat het besturen van een wagen betreft. Vandaag heb ik het over een gelijkaardig iets, maar dan wel op een heel ander vlak: Hoeveel mensen zijn er niet die gewoon niet durven in hun geloofsleven. Ze durven God niet aanspreken. Ze durven in de kerk niet vooraan plaats te nemen. En als reden geven ze op dat ze zich daar niet op hun plaats voelen; dat ze niet in de kijker willen lopen of dat ze niet waardig genoeg zouden zijn om vooraan te gaan zitten, en ook niet waardig genoeg om God zelf met hun problemen lastig te vallen.  

Sommigen vragen dan aan anderen om in hun plaats tot God te bidden. Ze denken dat ze daar een bemiddelaar voor nodig hebben. Soms vragen ze dan een geestelijke of zelfs een religieuze orde om voor hen te bidden en hun wensen en verzuchtingen aan God voor te leggen.

Tussen haakjes gezegd: “Jullie denken toch hopelijk niet dat geestelijken waardiger zouden zijn, of dat hun woord bij God meer gewicht zou hebben!?”

God heeft ons toch meermaals zelf verzekerd dat Hij ons zelfs waardig acht om zijn vrienden genoemd te worden, om bij Hem te horen, om bij de zijnen te zijn. Dat woord waar wij Hem telkens weer om smeken wanneer we, net zoals die honderdman uit het Evangelie, zeggen: “maar spreek slechts één woord, en mijn ziel zal gezond worden” – dat woord heeft Hij toch al lang gesproken!

In het Evangelie geeft Hij het ons toch zwart op wit. Hij noemt ons zijn vrienden en vriendinnen, en ieder van ons afzonderlijk mag zich zijn zoon of dochter noemen. God verzekert ons telkens weer dat wij ons met al onze zorgen en problemen rechtstreeks tot Hem mogen wenden. Dat wij daar geen bemiddelaars voor nodig hebben en dat ieder van ons het zeker waard is om heel dicht in zijn nabijheid te komen.

Wanneer ik me, ondanks alles, dan toch nog steeds niet waardig genoeg acht, dan is dat ook niet erg. Dan ben ik alleen maar in juist hetzelfde geval als toen met dat rijbewijs. Echt veilig rijden kon ik toen ook niet. Echt waardig genoeg zal ik me ook nooit voelen. Maar daar komt het tenslotte ook niet op aan. Het is veel belangrijker dat er iemand is die me ertoe in staat acht; die me blind vertrouwen geeft, die me zonder meer waardig acht om zijn vriend te zijn. Het komt er niet op aan of ik me waardig voel of niet. Dat God me waardig acht, dat Hij me aanvaardt zoals ik ben, dat is waar het op aan komt.

We hebben het zwart op wit; maar we kunnen het ook laten voor wat het is en er niets mee doen. Maar dat zou toch juist hetzelfde zijn als zou ik toen, met mijn rijbewijs in de hand, toch nooit achter het stuur van een auto zijn gekropen, alleen maar omdat ik toen het gevoel had dat ik dat autorijden toch nog niet perfect onder de knie had. Toen ben ik gelukkig wel achter het stuur gekropen! Ik had mijn rijbewijs toen ook in de schuif kunnen laten liggen – maar dat zou toch wel heel dom zijn geweest, of niet soms?   Amen