8e zondag door het jaar (2004)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 116 niet laden

Jezus staat wel vaak aan de kant van de marginalen in de samenleving, maar dat betekent niet dat hij omgang met welgestelden schuwt. Vandaag heeft Hij een uitnodiging aanvaard van een rijke farizeeër die een dineetje organiseert voor een, voor de rest, select gezelschap.
Tegen die achtergrond fungeren drie hoofdpersonen: de gastheer, die Simon blijkt te heten, Jezus, en een naamloze vrouw.
Beginnen we met die laatste.
Ook al was het, in die wereld van toen, niet ongewoon dat mensen zomaar kwamen binnenvallen terwijl men aan tafel zat/lag, ik denk niet dat dié vrouw erg welkom was. Voor ons is ze naamloos – maar het geachte gezelschap wist heel goed wie zij was: een vrouw van de straat, of beter: eentje die ‘de straat deed’, ‘een publieke zondares’ zoals dat in de bijbel netjes heet.
Ze komt dus binnen. Duidelijk niet beroepshalve: zij gaat niet verleidelijk vóór, maar huilend achter Jezus staan. Ze is zich ervan bewust dat ze een vijandig milieu betreedt, en weet heel goed dat zij, met wat ze van plan is te doen, het onbegrip en de vijandigheid nog zal aanwakkeren. Waarom doet ze dat dan? Omdat er vooraf met haar iets gebeurd is. Niet alleen anderen zien haar als zondige vrouw - zijzelf ziet zich ook zo. En Jezus eveneens: Hij zegt het ook onomwonden (v 47-48). Toch is zij niet zomaar een zondares, zij is een berouwvolle zondares. Zij is tot inkeer gekomen en heeft besloten onder haar verleden een dikke streep te trekken. In het diepste van haar ziel weet zij zich door haar berouw vergeven, weet en voelt zij dat zij erop mag vertrouwen dat God haar, bij haar zoeken naar een nieuwe levensweg, bemoedigend terzijde zal staan. Voor zijn vergeving en zijn trouwe nabijheid is zij Hem intens dankbaar. En aan die dankbaarheid geeft ze uiting door liefdevol Jezus’ voeten te wassen met haar tranen en ze te zalven met balsem. Jezus, in wie zij Gods gezondene erkent.
Zoiets doen onder het oog van Simon de farizeeër en zijn gasten, vergt moed en durf, en tegelijk is het vernederend.
* * *
Even een mogelijk misverstand uit de wereld helpen. ‘Farizeëer’ is in ons spraakgebruik vaak een synoniem voor ‘huichelaar, hypocriet’. Niet zo in de evangelies, althans niet in eerste instantie. In Jezus’ dagen waren Farizeeën leken die hun geloof zeer ernstig namen en zich nauwgezet toelegden op de bestudering en het onderhouden van de Tora, de wet van God. In het dagelijkse leven getroosten zij zich grote offers om alle voorschriften zo getrouw mogelijk te onderhouden. Als hun iets te verwijten valt, dan is dat hun fanatisme, hun harde rechtlijnigheid in de leer, en hun gebrek aan zelfkritiek. Een farizeeër weet dus heel goed wat zonde is, maar met zondige mensen kan en wil hij zich niet inlaten. Ook letterlijk vaak niet: volgens sommige rabbijnen uit die tijd moest je minstens twee meter afstand houden als een vrouw met een slechte reputatie je pad kruiste.
Zo iemand is gastheer Simon dus. Verbijsterd moet hij toegekeken hebben toen hij die vrouw zijn huis zag binnenkomen. En helemaal van slag toen hij zag dat Jezus zich haar tedere liefdesbetuigingen liet welgevallen. Nogal evident dat in zijn ogen Jezus als profeet door de mand valt.
* * *
Misschien voelde Jezus zich wat gegeneerd zo aangeraakt te worden door een vreemde vrouw, en dan nog in het gezelschap van anderen. Maar toch liet Hij het gebeuren omdat Hij haar begreep. Hij begreep dat dit de zwijgende taal was van een liefdevol hart, een hart van iemand die haar dankbaarheid kwijt moest omdat zij zich door God vergeven wist.
Natuurlijk kon Hij wel raden wat Simon ervan dacht. En dus steekt Hij een verhaal af over twee die door een geldschieter hun schulden werden kwijtgescholden. Simon voelt direct nattigheid, en op Jezus’ vraag: “Wie van de twee…” antwoordt hij koeltjes: “Ik veronderstel…”. Alsof het om een intellectuele discussie ging. Natuurlijk weet de farizeeër dat zijn antwoord juist is maar hij kan het niet over zijn hart krijgen om dat ook ronduit te zeggen. Hij is er de man niet naar om zijn hart te laten spreken. Hij is de man van de morele logica, gespecialiseerd in wetten en regels en voorschriften, iemand die feilloos kan beoordelen wat mag en niet mag. Maar hij kan niet overweg met dingen als liefde en vergeving die zijn logica ondergraven, die zijn houvast en zekerheid, en dus zijn zelfzekerheid aan het wankelen brengen. Gods vergevingsgezindheid en barmhartigheid zijn aan geen wet gebonden. Simon weet wel dat dat zo is, rationeel, in theorie - het verhaal van David (eerste lezing) kent hij ook wel. Maar zodra Gods vergevingsgezindheid voor zijn ogen praktijk wordt – en dan nog tegenover die vrouw, met zo’n verleden – wordt het hem teveel.
Jezus is niet mals voor Simon. Hij plaatst hem tegenover de vrouw: “Wat gij als gastheer nagelaten hebt – geen water gegeven om mijn bestofte voeten te verfrissen, geen welkomstkus – dat heeft zij voor Mij gedaan. Uw ongenode gaste werd voor Mij gastvrouw.” Gemeten naar de levenswandel van de vrouw, is Simon misschien zo slecht nog niet. Maar gemeten met de maat van liefde, hinkt hij ver achterop. Zijn gevoel van eigen voortreffelijkheid heeft hem harteloos gemaakt en zijn oordeel over anderen genadeloos.
* * *
Ik lees dit verhaal als een oproep tot zelfkritiek aan alle zogenaamde ‘voortreffelijken’, aan u en mij dus. Een oproep ook om een hart te hebben voor mensen die – op grond van wat dan ook – anders zijn dan wij, en door de samenleving een stigma worden opgedrukt.
Als wij in Jezus’ voetspoor willen gaan, mogen wij geen mensen veroordelen of uitsluiten omdat hun levensstijl enkele kentrekken vertoont die afwijken van onze (persoonlijke of culturele) definitie van voortreffelijkheid. Hen als mens respecteren betekent: hun ruimte en mogelijkheden aanreiken om geleidelijk in te groeien tot volwaardige leden van onze samenleving, en niet eisen dat iemand zich op een paar jaar tijd een nieuwe cultuur moet eigen maken – een cultuur waar wij honderd jaar en meer over gedaan hebben om ze op te bouwen tot wat ze nu is.